


Na “Wendepunkt” vervolgt Pierre Dumoussaud dit keer met de bariton Stéphane Degout en het ensemble Aude Extrémo, zijn epische reis door de schemering van de Duitse romantiek met een zelden uitgevoerd, driedelig werk van Max Reger, rijk aan nachtelijke tinten en elfachtige dansen, naast twee van Gustav Mahlers belangrijkste, poëtische cycli, gezongen door Stéphane Degout. Het Deauville Easter Festival Orchestra koos daarbij voor een intieme kamermuziekbezetting, typerend was voor het Wenen van toen en perfect om deze verhalen over liefde en dood te verklanken.
Naast 3 Lieder für Tenorstimme und Klavier (1880) en 5 Lieder und Gesänge für eine Singstimme und Klavier, bestaan de Liederen van Gustav Mahler uit Lieder und Gesänge aus der Jugendzeit, deels op teksten uit Des Knaben Wunderhorn (met pianobegeleiding) (1880-1890), de Lieder eines fahrenden Gesellen, op eigen teksten (1883-1885), Lieder aus “Des Knaben Wunderhorn”, op teksten uit Des Knaben Wunderhorn, verzameld door Clemens Brentano en Achim von Arnim (1892-1901), de Rückert-Lieder, op gedichten van Friedrich Rückert (1901-1903), Kindertotenlieder, eveneens op gedichten van Friedrich Rückert (1901-1904) en “Das Lied von der Erde”, op gedichten van Hans Bethge, naar Li Tai Po (1908-1909).
Mahler componeerde zijn Lieder eines fahrenden Gesellen tussen 1883 en 1885. De cyclus omvat 4 liederen voor zangstem en orkest. De teksten, deels door de componist zelf geschreven, deels overgenomen uit de gedichtenbundel Des Knaben Wunderhorn, handelen over het lot dat iemand ten dele valt wanneer hij of zij een geliefde verliest. Hierdoor wordt de onbeantwoorde liefde die Mahler voelde voor operazangeres Johanna Richter weleens in verband gebracht met de ontstaansgeschiedenis van de liederen. Het zwerversbestaan dat Mahler leidde van 1881 tot 1889 kan eveneens als inspiratiebron worden aangeduid, wanneer men de titel analyseert. De “fahrende Gesell” is een verwijzing naar, of eerder een synoniem voor, de “Wanderer”, de zwervende die aan het eind van zijn pad niets meer staat te wachten dan rouwende berusting. Thema’s uit de cyclus heeft Mahler later gebruikt in zijn Eerste Symfonie. Mahler slaagt er op bijzondere wijze in de tekst zeer direct te vertalen in de muziek. Iedere emotie is terug te vinden in de melodie en de orkestbegeleiding. De thematiek van deze liederen is verwant met die van Winterreise van Schubert.
Mahler begon zijn Kindertotenlieder (1901-1904) in de zomer van 1901, nadat een gezondheidscrisis hem aan het denken zette over zijn eigen sterfelijkheid. De zomer van 1901 was een van zijn meest productieve, met een reeks liederen, waaronder het eerste, derde en vierde van de vijf Kindertotenlieder. Mahlers eerste dochter, Maria (“Putzi”) (foto), werd geboren in november 1902, en Mahler maakte zich voortdurend zorgen over haar zwakke gezondheid. Mahlers angsten waren terecht, Maria overleed op vierjarige leeftijd aan roodvonk en difterie.
Friedrich Rückert (1788-1866) (foto) begon met het schrijven van zijn Kindertotenlieder na de dood van twee van zijn kinderen. Rückert schreef trouwens honderden van deze gedichten, die postuum werden gepubliceerd. De door Mahler gekozen teksten raken verschillende thema’s aan, maar de constante die ze verbindt, lijkt hun overheersende natuurbeelden te zijn, die de lokale tragedie van de dood van een kind in een ononderbroken, bredere context plaatsen. De teksten vertellen ook iets over Mahlers spiritualiteit, met zijn vast geloof in een hiernamaals, bevestigd door het terugkerend beeld van “licht” en door de serene afsluiting van het laatste lied. Orkestraal bouwde Mahler de cyclus op naar het laatste lied, het enige lied waarin de volledige instrumentale bezetting werd gebruikt. Als geheel is de cyclus net zo rigoureus gestructureerd als Mahlers symfonieën, en de sfeer ervan was bepalend voor zijn drie symfonieën (nrs. 5, 6 en 7) uit de ‘middenperiode’.

Max Reger baseerde zijn “Eine romantische Suite” op gedichten van Joseph von Eichendorff (1788-1857) (foto). De suite is opgebouwd uit drie delen, met twee langzame delen die een levendig scherzo omlijsten, die corresponderen met drie gedichten van Joseph von Eichendorff (foto): “Nachtzauber” (Nachtmagie), “Elfe” (Fee) en “Adler” (Adelaar). Hoewel Reger de delen oorspronkelijk als gedichten wilde benoemen, dacht hij aan soortgelijke titels (“Mondnacht”, “Elfentanz” en “Helios”), maar koos uiteindelijk voor neutrale titels. Reger componeerde de suite in Meiningen in mei en juni 1912. Hij was daar nl. van 1911 tot 1914 muziekdirecteur van de Hofkapelle (foto) en componeerde in die periode de meeste van zijn composities voor orkest. Hij droeg het werk op aan de Duitse violist, componist en dirigent, Hugo Grüters (1851-1928), die 14 jaar lang de Koninklijk Muziekdirecteur was in Zierikzee, Hamm en Duisburg en daarna Muziekdirecteur werd in Bonn.
Nog tijdens het componeren bood Reger de première weliswaar al aan aan de Duitse dirigent Ernst von Schuch (1846-1914) (foto) die in 1911, met succes de première van “Der Rosenkavalier” had gedirigeerd en een passie had voor hedendaagse muziek. Schuch programmeerde vanaf 1906 met de Königliche musikalische Kapelle in Dresden regelmatig werken van Reger en had hem in 1911 aangesteld als pianist voor een uitvoering van Bachs Brandenburgs Concerto nr. 5. Reger droeg ook zijn Lustspiel-Ouvertüre, op. 120 op aan von Schuch. De partituur van “Eine romantische Suite” werd in september 1912 uitgegeven en werd voor het eerst uitgevoerd in oktober van dat jaar door de Königliche musikalische Kapelle o.l.v. Ernst von Schuch. In 1920, maakte Arnold Schönberg het hier opgenomen arrangement van de suite voor kamerensemble.
Pierre Dumoussaud (foto), bereikte de internationale operascène, dankzij de prijs die hij in 2017 won op het Concours International de Chefs d’Orchestre d’Opéra, georganiseerd door de Opéra Royal de Wallonie. Hij raakte als fagottist gefascineerd door het symfonisch repertoire en volgde een opleiding tot orkestdirigent aan het Conservatoire de Paris tot 2014, toen hij de eerste prijs won op de “Talents Chefs d’Orchestre” van ADAMI. Het jaar daarop, toen hij 25 werd, verving hij op het laatste moment Alain Lombard voor een televisieconcert met het Orchestre National Bordeaux Aquitaine. Hij heeft een bijzondere band met deze instelling onderhouden en werd assistent-dirigent, waarna hij aan het hoofd stond van verschillende operaproducties en balletten.
Hij werd uitgenodigd om het orkest van het Festival de Pâques de Deauville te dirigeren en werkte nauw samen met Renaud Capuçon, Bertrand Chamayou en Nicholas Angelich. “Helder en modern, maar ook welsprekend en levendig”, om Christian Merlin (Le Figaro) te citeren, wordt Pierre Dumoussaud zowel door instrumentalisten als door zangers en dansers gewaardeerd. De jonge dirigent trad trouwens voor het eerst op in de Opéra National de Paris in mei 2021, in de productie, “Hommage à Roland Petit”. “Zijn dirigeren roept niets dan lof op, waarbij hij een fijn evenwicht vindt tussen analytische helderheid en het theatrale leven, terwijl hij tegelijkertijd de buitengewone moderniteit van deze bedwelmende muziek naar voren brengt”, schreef Christian Merlin nog in Le Figaro.
Tracklist:
Mahler Lieder eines fahrenden Gesellen for baritone and orchestra (1883–85, arr. Arnold Schoenberg 1920)
- Wenn mein Schatz Hochzeit macht
- Ging heut’ morgen über’s Feld
- Ich hab’ ein glühend Messer
- Die zwei blauen Augen von meinem Schat
Reger Suite romantique, Op. 129 for orchestra (1912, arr. Arnold Schoenberg & Rudolf Kolisch 1920)
Notturno
Scherzo
Finale
Mahler Kindertotenlieder, Op. 25.2 for mezzo-soprano and orchestra (1901–04, arr. Eberhard Kloke)
- Nun will die Sonn’ so hell aufgehn
- Nun seh’ ich wohl, warum so dunkle Flammen
- Wenn dein Mütterlein
- Oft denk’ ich, sie sind nur ausgegangen
- In diesem Wetter, in diesem Braus



Oh Weh ! Pierre Dumoussaud & L’Atelier de musique cd b.records LBM088