Igor Stravinsky “Fairy Tales – Song of the Nightingale – The Faun and the Shepherdess – Divertimento – Pulcinella Suite” door Susan Platts (mezzosopraan) en het befaamd Buffalo Philharmonic Orchestra o.l.v. JoAnn Falletta, op het label Naxos.

Igor Stravinsky staat bekend om zijn verklanking van schitterende sprookjes in bv. “Petrushka” en “Vuurvogel”. Een ander voorbeeld is zijn ballet “Pulcinella” uit 1920, vol barokke theatraliteit, hier te horen in de vorm van een concertsuite. De andere werken op dit programma zijn weliswaar minder bekend: het stralend, symfonische “Le Chant du Rossignol” uit 1917 en “Le Baiser de la fée” uit 1928, beide gebaseerd op verhalen van Hans Christian Andersen.

Een zeldzaamheid is de opname van “De Faun en de Herderin”, “Le Faune et la Bergère” (Favn i patushka), een antiek Grieks verhaal, dat Stravinsky in 1906, als geschenk gaf aan zijn (eerste) jonge bruid, zijn nicht, Jekaterina Nossenko (1881-1931) (foto). De invloed van het geschenk was echter van korte duur, want vanaf 1921, had Stravinsky een buitenechtelijke verhouding met de (eveneens, reeds gehuwde) Vera de Bosset (1889-1982) (foto), een mooie danseres van Duits-Baltische adel, die uiteindelijk in 1940, in Bedford, Massachusetts, zijn tweede vrouw en de stiefmoeder van zijn 4 kinderen zou worden, Teodor (1907), Ljoedmila (1908), Soelima (1910) en Maria Milena (1914).

Stravinsky’s Divertimento is een originele transcriptie van zijn neoklassiek ballet “Le Baiser de la fée” (1928). Het werk was een eerbetoon aan Tsjaikovski en werd gecomponeerd in opdracht van de Russische ballerina, Ida Rubinstein. De première vond plaats in Parijs in november 1928, gechoreografeerd door Bronislava Nijinska. In 1950, werd het ballet bewerkt voor George Balanchine en het New York City Ballet. Stravinsky gebruikte trouwens alleen pianostukken en liederen van Tsjaikofski. In 1932 produceerden Samuel Dushkin en de componist een versie voor viool en piano, getiteld “Divertimento”. Twee jaar later (1934) orkestreerde Stravinsky de muziek tot een concertsuite. Daarvoor gebruikte hij slechts de helft van de muziek uit zijn origineel ballet, maar herwerkte het in 1949.Op Diaghilevs voorstel om Le Rossignol (De Nachtegaal) in balletvorm te brengen, kwam Stravinsky met het idee om het werk in zijn geheel om te vormen tot een symfonisch gedicht dat voor balletdoeleinden kon worden gebruikt. Diaghilev stemde toe en Stravinsky bewerkte delen van de opera tot Le Chant du Rossignol – poème symphonique. Stravinsky voegde zich bij Diaghilev in Rome om tijdens een serie voorstellingen zijn L’Oiseau de Feu en Feu d’Artifice te dirigeren. De Russische Revolutie had juist plaatsgevonden en men was nog vol hoop op verandering. Daarom vond men het niet gepast om het galaconcert met het gebruikelijke tsaristische volkslied te beginnen. In plaats daarvan bewerkte Stravinsky het Lied van de Wolgaslepers. Picasso, die Stravinsky in Rome voor het eerst ontmoette, versierde het manuscript en hij maakte er ook het eerste van de drie portretten die hij van Stravinsky zou maken.

Tijdens een ontmoeting tussen Stravinsky en Diaghilev in Parijs wist Diaghilev Stravinsky over te halen om een nieuw werk te baseren op composities van Giovanni Battista Pergolesi. Picasso zou de decor- en kostuumontwerpen maken. Inmiddels is vast komen te staan dat enkele composities die Stravinsky bewerkte voor Pulcinella niet van Pergolesi zijn maar van tijdgenoten van hem, onder wie de Nederlandse componist Unico Wilhelm van Wassenaer. Diaghilev was allesbehalve tevreden met het resultaat. Hij was geschokt door de Picasso-ontwerpen en teleurgesteld in de muziek. In zijn gesprekken met Robert Craft zei Stravinsky erover dat Diaghilev een strakke, gemaniëreerde orkestratie van iets zoetigs had verwacht en dat hij de satirische toon niet kon waarderen. De première van het werk in Parijs in 1920 was echter een groot succes, evenals de uitvoering in het Royal Opera House te Covent Garden in Londen een maand later. Stravinsky woonde die laatste uitvoeringen niet bij. Nu de oorlog voorbij was wilde hij zijn vertrek uit Zwitserland regelen en in een van de belangrijke muzikale centra van Europa gaan wonen.

Het ballet “Pulcinella”, georkestreerd voor een modern kamerorkest met sopraan-, tenor- en bariton, betekende het begin van Stravinsky’s neoklassieke periode. Stravinsky baseerde zich voor zijn compositie immers op 18de -eeuwse muziek van Domenico Gallo, Unico Wilhelm van Wassenaer, Carlo Ignazio Monza en Alessandro Parisotti, vroeger toegeschreven aan Pergolesi. Hun partituren werden door Diaghilev gevonden in bibliotheken in Napels en Londen. Het ballet ging in mei 1920, in première in de Parijse Opéra o.l.v. Ernest Ansermet. De danser Léonide Massine schreef zowel het libretto als de choreografie, en Pablo Picasso ontwierp de kostuums en decors. Het ballet werd geschreven in opdracht van Sergei Diaghilev.

Het ballet “Le Baiser de la fée” (“The Fairy’s Kiss”) in één bedrijf en vier scènes, werd gecomponeerd in 1928 en herzien in 1950, voor George Balanchine en het New York City Ballet. De 4 scènes zijn Prologue, Une fête au village, Au moulin : Pas de deux – Adagio – Variation – Coda – Scène, en Épilogue : Berceuse des demeures éternelles. Gebaseerd op het kortverhaal “Isjomfruen” (“The Ice-Maiden”) van Hans Christian Andersen, was het werk een eerbetoon aan Tsjaikofski, ter gelegenheid van de 35ste herdenking van het overlijden de componist. Stravinsky werkte in zijn partituur verschillende melodieën uit van vroege pianostukken en liederen van Tsjaikofski. Het ballet, een opdracht van Ida Rubinstein (foto) uit 1927, werd gechoreografeerd door Bronislava Nijinska en ging in 1928, in Parijs, in première.

“Le Faune et la Bergère” is een door Igor Stravinsky gecomponeerde suite voor mezzosopraan en orkest op teksten van Aleksandr Poesjkin. Er bestaan vertalingen van in het Frans (door Alexandre Komaroff) en in het Duits (door Heinrich Möller). Le Faune et la Bergère werd gecomponeerd in 1906 in Imatra en Sint-Petersburg; de instrumentatie werd in 1907 voltooid. Stravinsky maakte een uittreksel voor piano en zang van het werk. Le Faune et la Bergère is opgedragen aan Stravinky’s (eerste) vrouw, Ekaterina Grabrielovna Stravinsky. De première vond plaats in een privéuitvoering in 1907 in Sint-Petersburg, een jaar later (op 16 februari 1908) gevolgd door een openbare uitvoering onder leiding van Felix Blumenfeld.

De mezzosopraan Susan Platts geniet internationale erkenning voor haar rijk expressieve stem en indrukwekkende muzikale uitstraling. Als voormalig protegée van Jessye Norman werkte ze meer dan tien jaar nauw samen met de legendarische sopraan, wat haar artistieke ontwikkeling diepgaand heeft beïnvloed. Platts wordt vooral geprezen om haar interpretaties van de werken van Gustav Mahler, waaronder meer dan 90 uitvoeringen van zijn tweede symfonie en talrijke uitvoeringen van zijn derde en achtste symfonie, Das Lied von der Erde, Lieder eines fahrenden Gesellen, Rückert-Lieder en Kindertotenlieder, met grote orkesten in Europa, Noord-Amerika en Azië.

De meervoudig met een GRAMMY bekroonde dirigent JoAnn Falletta is muziekdirecteur van het Buffalo Philharmonic Orchestra (BPO) en ere-muziekdirecteur van het Virginia Symphony Orchestra. Ze heeft als gastdirigent opgetreden bij vele vooraanstaande orkesten in Amerika, Canada, Europa, Azië en Zuid-Amerika. Als muziekdirecteur van het Buffalo Philharmonic Orchestra werd Falletta de eerste vrouw die een belangrijk Amerikaans orkest leidde.

Haar discografie omvat meer dan 135 titels en ze is een toonaangevende artiest voor Naxos. Haar met een GRAMMY bekroonde Naxos-opnames omvatten Richard Danielpours The Passion of Yeshua (8.559885-86) en John Corigliano’s Mr. Tambourine Man: Seven Poems of Bob Dylan (8.559331), beide met het BPO, en Kenneth Fuchs’ Spiritualist met het London Symphony Orchestra (8.559824). Falletta en het BPO zijn ook genomineerd voor een GRAMMY voor releases met werken van Kodály en Foss in 2025, en Scriabin in 2024. Falletta is lid van de prestigieuze American Academy of Arts and Sciences, was lid van de National Council on the Arts, heeft vele van de meest prestigieuze dirigentenprijzen ontvangen en werd door Performance Today uitgeroepen tot Klassieke Vrouw van het Jaar en door Gramophone magazine tot een van de 50 grootste dirigenten aller tijden.

Het Buffalo Philharmonic Orchestra (BPO), opgericht in 1935, is Buffalo’s belangrijkste culturele ambassadeur en presenteert jaarlijks meer dan 120 concerten met klassieke muziek, populaire muziek en jeugdmuziek. Sinds 1940 is Kleinhans Music Hall de vaste thuisbasis van het orkest. In 2022 trad het voor de 25e keer op in Carnegie Hall, ter ere van het leven en werk van voormalig BPO-muziekdirecteur Lukas Foss. Door de decennia heen is het BPO uitgegroeid tot een toonaangevend orkest onder leiding van vooraanstaande dirigenten zoals William Steinberg, Josef Krips, Lukas Foss, Michael Tilson Thomas, Julius Rudel, Semyon Bychkov en Maximiano Valdés. Tijdens het voorzitterschap van JoAnn Falletta heeft het BPO zijn roemrijke geschiedenis van radio-uitzendingen en opnames nieuw leven ingeblazen, met onder meer de release van meer dan 65 albums met een divers repertoire op de labels Naxos en Beau Fleuve Records. De opname van John Corigliano’s Mr Tambourine Man: Seven Poems of Bob Dylan (Naxos 8.559331), met sopraan Hila Plitmann, ontving GRAMMY Awards voor Beste Klassieke Vocale Uitvoering en Beste Klassieke Hedendaagse Compositie, en de opname van Richard Danielpours The Passion of Yeshua (8.559885-86) met het Buffalo Philharmonic Chorus ontving een GRAMMY Award voor Beste Kooruitvoering.

Stravinsky Fairy Tales Song of the Nightingale The Faun and the Shepherdess Divertimento Pulcinella Suite Susan Platts Buffalo Philharmonic Orchestra JoAnn Falletta cd Naxos 8574735