Ian Bostridge over “Schuberts Winterreise”, een heel bijzondere uitgave van Hollandsdiep.

De beroemde Engelse tenor, Ian Bostridge schreef een meer dan opmerkelijk boek over Schuberts Winterreise. Geen muzikale analyse maar een heel persoonlijke, uitvoerig gedetailleerde duiding van de inhoudelijke thema’s, gesitueerd in hun historische, culturele context. Soms vergezocht maar heel, heel bijzonder.

Literair, historisch en psychologisch

“Winterreise. Ein Cyclus von Liedern von Wilhelm Müller. Für eine Singstimme mit Begleitung des Pianoforte komponiert von Franz Schubert. Op. 89. Erste Abtheilung (Lied I–XII). Februar 1827. Zweite Abtheilung (Lied XIII–XXIV). October 1827”. Zo luidt de oorspronkelijke titel. Winterreise, de liedcyclus die Schubert in de laatste maanden van zijn leven voltooide, is één van de indringendste en raadselachtigste meesterwerken van de westerse vocale kunst. Ian Bostridge (°1964), één van de beroemde vertolkers ervan, beschrijft de context en de weerklank van het meesterwerk aan de hand van zijn hoogst persoonlijke relatie tot het werk en becommentarieert op een wel heel eigen en fantasierijke wijze de literaire, historische en psychologische thema’s van de vierentwintig liederen.

Bostridge, vertolker van Winterreise

“Zelf zong ik ‘Winterreise’ voor het eerst in het openbaar in januari 1985, in de President’s Lodgings van St. John’s College in Oxford, voor een publiek van ongeveer dertig vrienden, leraren en medestudenten”, vertelt Bostridge. Hij bracht Winterreise dan voor het eerst op een concert met pianiste Ying Chang en ging er nadien met pianist Leif Ove Andsnes mee op tournee. De opname met deze pianist kreeg echter verdeelde kritieken. Begrijpelijk want de opname werd in Engeland vergeleken met de magistrale opnames en uitvoeringen door vroegere tenoren als Peter Anders, Peter Schreier (1985 met Sviatoslav Richter!), Werner Güra en in 1963 door…Peter Pears en Benjamin Britten. En dan heb ik het nog niet over Anton en Hilde Dermota, René Kollo, Julius Patzak, en Jörg Demus, Jon Vickers en Geoffrey Parsons, of over Christoph Prégardien met Andreas Staier of met Sylvain Cambreling. Om maar enkele tenoren te citeren.

Historische kennis

Steunend op zijn grote ervaring als vertolker van het werk- hij heeft het meer dan honderd keer uitgevoerd – en op zijn grote muzikale kennis en achtergrond als historicus, belicht Bostridge de vierentwintig liederen. Ik wou weliswaar, zo schrijft hij, niet nog eens een strikt muzikale analyse maken van de liederen. Voor deze verwijst hij naar zijn 15 bladzijden tellende bibliografie. Indrukwekkend. “Winterreise”, schrijft Bostridge 199 bij het lied Auf Dem Flüsse, “is geschreven en gecomponeerd in een Europa waarin de winter sterker tot de verbeelding sprak dan in onze eigen tijd, en bovendien kwam het werk voort uit een cultuur die hevig geboeid was door de symbolische aspecten en de griezelige kracht van het ijs.”

Lange dramatische monoloog

In zijn inleiding tot de Peters Edition, de modernisierte Fassung mit modernisierter Orthographie uit 1890-1900, met kritische herzieningen van Max Friedlaender, merkte de zeer geleerde oriëntalist en filoloog, professor Max Müller (1823-1900), de zoon van de dichter Wilhelm Müller, destijds op dat Schuberts twee liedcycli, hetzelfde dramatisch effect hebben als (van) een tragische opera. Want, net als Die schöne Müllerin, ging Max Müller verder, is Schuberts Winterreise niet alleen een verzameling van liederen over een verloren of onbeantwoorde liefde, maar een uitgebreide, meer dan één uur durende, dramatische monoloog.

Vervreemding en wanhoop

De muziek van Winterreise heeft een unieke emotionele diepgang en intensiteit. Een jongeman, afgewezen door zijn geliefde, verlaat het huis waar hij heeft gewoond en trekt te voet door sneeuw en duisternis. Als hij het dorp achter zich laat en in het kale winterlandschap belandt, wordt hij overspoeld door emoties van verlies, verdriet, woede en intense eenzaamheid. Deze worden afgewisseld met sprankjes hoop tot het landschap dat hem omringt vervuld raakt van vervreemding en wanhoop.

Nederlandse vertaling van pathologisch leed

De intensiteit en het emotionele van de poëzie zijn zorgvuldig opgebouwd om het leed van de minnaar uit te drukken. Dat leed wordt in de loop van de cyclus bijna pathologisch ontwikkeld. Het is nu precies dat laatste dat samen met de uitvoerige, algemene, culturele situering  van de gedichten en de muziek, recent onderzocht werd door tenor Ian Bostridge. Hij schreef het boek “Schuberts Winter Journey: Anatomie of an Obsession (Londen: Faber & Faber, 2014). Dit boek is nu door muzikale duizendpoot Frits van der Waa in het Nederlands vertaald. Cellist en pianist Frits van der Waa (°1954) is gewezen eindredacteur van het tijdschrift Key Notes van Donemus. Hij was redacteur van het radio- en televisiemuziekblad Vrije Geluiden van VPRO, voorzitter van de commissie muziek van de Amsterdamse Kunstraad en was lid de adviescommissie Fonds voor de Scheppende Toonkunst. Hij is nu redacteur van het kwartaalblad OORsprong (MuziekGroep Nederland). Om u maar een idee te geven van het niveau van de vertaler.

Byron, Žižek en seksuele rigiditeit

Bostridge’s teksten zijn soms kort en soms uitgebreid. Sommige zijn voorzien van notenvoorbeelden en doorheen de vierentwintig teksten krijgen we voortdurend hoogst interessante verwijzingen naar Goethe en Samuel Beckett, de minimalistische en pessimistische, Ierse schrijver over menselijke natuur en menselijke lotsbestemming. Bij Gute Nacht schrijft Bostridge bv. over de belangstelling die Müller had voor Byron. In zijn tekst over het lied Gefrorene Tränen (Bevroren tranen) betrekt hij de Sloveense socioloog, filosoof, psychoanalyticus en cultuurcriticus Slavoj Žižek (°1949), en schrijft hij over de legendarische interpretaties door de bas bariton Hans Hotter en de bariton Dietrich Fischer Diskau. Bij Erstarrung gaat het dan weer over seksuele rigiditeit en stuurloze emoties. Opgepast, in de geneeskunde betekent rigiditeit stijfheid of starheid. Gebruikt u dat woord binnen de context van seksualiteit, krijgt het dus een verdacht dubieuze betekenis…Schuberts Der Lindenbaum voorziet hij na twee opvallende citaten van Bismarck, van een overzicht van de linde, van de boom dus, in de cultuurgeschiedenis. En dit vanaf Homeros tot bij Proust, Mahler en Thomas Manns “Toverberg”. Bij Wasserflut beperkt hij zich tot de oorsprong van de muzikale schriftuur van dat lied.

Dwaallichtjes, smeltovens en grijze haren

Bij Irrlicht schrijft Bostridge over het fenomeen dwaallichtjes. Rast (rust) krijgt n.a.v. de in het gedicht aanwezige kolenbrander (“In eines Köhlers engem Haus”), o.a. een hele uitleg over smeltovens in Engeland waar men met steenkool stookte. U moet het maar bedenken. Bij Einsamheit, het sluitstuk van Schuberts oorspronkelijke twaalf liederen tellende cyclus, heeft hij het over de etymologie van het woord “einsam” en maakt hij de vergelijking met schilderijen van Caspar David Friedrich en de dichter Christian Gottfried Körner. Het lied Der greise Kopf, u houdt het niet voor mogelijk, inspireerde Ian tot schrijven over het fenomeen van grijze haren, letterlijk dan, geïllustreerd met foto’s van Alexander Littlejohn, een steward op de Titanic, voor en zes maanden na de ramp. U moet er maar op komen. Het lijkt wel een afwijking, een intellectuele anomalie. Grappig maar ik geef toe, het is wel origineel.

Om u een idee te geven van hoe ver Bostridge gaat in zijn duiding en uitleg, citeer ik graag een fragment uit zijn tekst bij het lied Auf Dem Flusse (Op de rivier) :

“In het tijdsgewricht dat ‘Winterreise’ voortbracht kwam het begrip ‘tijd’ in een totaal nieuw licht te staan. Geologische vondsten en gevolgtrekkingen leidden tot de onontkoombare conclusie dat de aarde veel ouder was dan men altijd had gedacht, en dat de processen die haar gedaante hadden gegeven ongelooflijk en bovenmenselijk traag waren en zich hadden voltrokken in tijdspannes van een onvoorstelbare lengte. IJs speelde bij die processen een belangrijke rol, en de gletsjers leverden daarvoor het bewijsmateriaal, dat door de tijdgenoten van Schubert en Müller – in Engeland, de Duitse staten, Zwitserland en elders – met nieuwe en systematische ijver aan analyse werd onderworpen. Het besef dat de aarde ijstijden gekend heeft, kwam voort uit het onderzoek naar gletsjers in het Alpengebied en uit de onverklaarbare aanwezigheid van grote rotsblokken (zwerfkeien) op plaatsen waar je die geologisch gezien niet zou verwachten.” Alstublieft. En dit omdat Müller in zijn gedichtje eventjes melding maakt van “harter, starrer Rinde” (betekent eigenlijk schors), waarmee het water zich heeft bedekt.

Post per trein

Als achtergrondinformatie bij het lied Die Post lezen we o.a. en ik citeer, “De Stockton and Darlington Railway, de eerste uit algemene middelen bekostigde passagiersspoorweg, werd in 1825 in gebruik genomen, te laat om invloed uit te oefenen op het werk van Wilhelm Müller of Franz Schubert. In Duitsland en Oostenrijk werden de eerste passagiersspoorlijnen pas aangelegd vanaf ongeveer 1835. Algemeen wordt gedacht dat de komst van de spoorwegen een ommekeer teweegbracht in het 19de -eeuwse informatieverkeer, doordat daarmee beperkingen van tijd en afstand werden opgeheven. Snelle en betrouwbare transportverbindingen maakten de wereld kleiner.”

Het boek staat vol literaire verwijzingen.

Bij Frühlingstraum schrijft Bostridge bv.:“In de Duitse literatuur wemelt het van de ‘Eisblumen’, die opduiken in boeken en gedichten van zulke uiteenlopende auteurs als Ludwig Tieck, Thomas Mann, Robert Walser en Rainer Maria Rilke. In Manns Doktor Faustus voelt zijn antiheld, de componist Adrian Leverkühn, zich aangetrokken tot deze merkwaardige structuren. Hij wordt gefascineerd door hun ambiguïteit, hun kortstondigheid en hun mineralogische imitatie van het organische. De wortels van deze obsessie zijn filosofisch van aard en maken deel uit van het soort natuurlijke theologie dat Robert Hooke en Kepler, interesse voor sneeuwvlokken deed opvatten, maar voortleefde tot in de 18de en zelfs de 19de eeuw.” (sic). Hooke was de man van het evenwicht tussen centrifugaal kracht en gravitatiekracht en Johannes Kepler was de hemelmechanicus die tot ergernis van Susanna, zijn 20 jaar jongere vrouw, maar niet kon slapen vooraleer hij de planeetbewegingen kon berekenen. Na Keplers dood, bleef Susanne met drie kinderen achter in armoedige omstandigheden…”

Wetenschappelijke uitleg

Die Krähe wordt voorzien van tekst en uitleg bij mythen rond de familie der kraaiachtigen, van Plinius en Ovidius tot Poe, Hitchcock en Lucian Freud. De zin uit Letzte Hoffnung “valt het blad op de grond, valt daarmee ook de hoop” inspireerde Bostridge blijkbaar tot een wetenschappelijke verklaring van het feit dat bladeren van de bomen vallen (…). Bij Im Dorfe worden de kussens waarop de mensen slapen in het gedicht, geïllustreerd door de zes magnifieke studies van kussens uit 1493 van Albrecht Dürer. Die stürmische Morgen kreeg een in verhouding tot zijn andere teksten, bijzonder korte tekst. Blijkbaar had Bostridge hier geen inspiratie. Deze tekst gaat enkel over de uitvoeringswijze van het lied.

Van wals tot strijdlied

Bij het lied Täuschung (Waanbeeld) schrijft hij n.a.v. ‘Ein Licht tanzt freundlich vorm mir her’ over de roes en de hallucinogene eigenschappen van de wals. Der Wegweiser als de eerste verwijzing in de cyclus naar de dood, is een beschrijving van de laatste maanden van Schuberts leven en van het boek “De laatste der Mohikanen” van James Fenimore Cooper, het laatste boek dat Schubert voor zijn dood las. Bij Das Wirtshaus gaat het over een dodenakker en een herberg of kroeg (Schenke in het Duits), en Mut (moed) beschrijft hij als een strijdlied van de ongelovige. Daarin heeft Bostridge het ook over Schuberts geloofsovertuiging. Over Schuberts Moravisch-Boheems/Tsjechische en vermoedelijk Joodse origine, helaas niets. Vader kwam uit Vysoká, dat tot 1948 Nová Ves of Neudorf-Alt heette. De naam werd toen nog Čubert gespeld. Over Schuberts homoseksualiteit versus heteroseksualiteit in het algemeen, schrijft Bostridge wel.

Over lichtstralen en euthanasie

Die Nebensonnen kreeg een wetenschappelijke tekst over het optisch fenomeen van parhelia, halo-verschijnselen van gebroken lichtstralen. Dit omdat het gedicht melding maakt van drie zonnen. Der Leiermann (De Draailierspeler) noemt Bostridge een voorbeeld van romantische ironie en voorziet hij van een tekst over de geschiedenis van de draailier met een vergelijking tussen, hou u vast,  “jingle jangle”, uit Bob Dylans “Mr.Tambourine man” (“In the jingle jangle morning I’ll come followin’ you”), en het woord hurdy gurdy (Engels voor draailier) (…). Bostridge’s tekst gaat over armoede en dood en mondt verrassend uit in een pleidooi voor het persoonlijk recht op levensbeëindiging. Als u te veel Beckett en Žižek leest en u spreekt over seksuele rigiditeit, bestaat inderdaad de kans dat u Schuberts Leiermann op een dergelijke wijze interpreteert.

Vergezocht

Bostridge schreef het boek naar eigen zeggen om het werk te verhelderen, de waarde ervan aan te tonen, het een context te geven en er bespiegelingen op los te laten. In dit boek wil ik elk lied, schrijft hij, één voor één gebruiken als uitgangspunt bij het blootleggen van die wortels door het in zijn historische context te plaatsen, maar ook door nieuwe en onverwachte verbanden te ontdekken, zowel in onze eigen als in een lang vervlogen tijd, verbanden van literaire, visuele, psychologische, wetenschappelijke en politieke aard. De merkwaardige inhoud van zijn boek is grotendeels te danken aan de literaire en historische kennis van zijn vrouw Lucasta Miller. Dit verklaart wellicht de vergezochte uitleg.

Zelfs met grafieken

De uitleg, vergelijkingen en verbanden van Bostridge komen vaak grappig over. Het boek is daarentegen wel treffend geïllustreerd, zelfs tot drie keer toe met grafieken. Stel u voor, er staat een grafiek in zijn boek ter illustratie van de gemiddelde temperatuurschommeling van de afgelopen tweeduizend jaar, en er staat zelfs een grafiek in die, luister goed, het stoken met steenkool in Engeland tussen 156O en 1860 aantoont. Ongelooflijk. Vraag is of Wilhelm Muller bij het dichten ook gedacht heeft aan seksuele rigiditeit, de familie der kraaiachtigen, gebroken lichtstralen, bevrijding uit de tredmolen van de pre-industriële economie (sic.) of aan mineralogisch, organische imitatie door mystieke ijspatronen op vensterruiten (“Maar op de vensterruiten, wie schilderde daar die bladeren” in Frühlingstraum)? Mocht Schubert, in tegenstelling tot Rückert/Mahler, deze gedichtjes niet getoonzet hebben, dan zou niemand er trouwens nog over spreken.

Rijke verbeelding

Ik denk dat mocht Bostridge een tekst schrijven over de slapende draak of over de slapende Brünnhilde in Wagners Siegfried, we een hele uiteenzetting zouden krijgen over de activatietoestand van het centrale en autonome zenuwstelsel tijdens de remslaap en dat hij dan zou schrijven over de lichtverschijnselen en warmteontwikkeling die optreden wanneer brandbare stof een oxidatiereactie ondergaat bij aggregatietoestanden waarbij atomen volledig geïoniseerd zijn. Denkt u ook niet ?

Uitzonderlijk interessant

Maar, maar, als we dit alles even buiten beschouwing laten, zijn de teksten van Bostridge uitzonderlijk interessant. Hij blijkt een eminent kenner te zijn van onze cultuurgeschiedenis. Nu, onder ons, dat mag eigenlijk wel want hij studeerde geschiedenis en filosofie aan de Universiteiten van Oxford en Cambridge. Zijn fantasie werkt aanstekelijk en zijn boek bevat een schat aan originele en meer dan ongewone informatie over vreemde tot bizarre topics en aspecten van onze cultuurgeschiedenis. U kan het zo gek niet bedenken of het houdt verband met een Schubert-lied. In het Frans zou men spreken over “les choses les plus étranges et insolites de notre culture”. Zeker lezen, dus, u zal zich niet vervelen.

Schuberts Winterreise Ian Bostridge  Hollandsdiep ISBN: 978904882741 1

http://www.stretto.be/2020/02/27/fremd-bin-ich-eingezogen-fremd-zieh-ich-wieder-aus-schubert-winterreise-barytone-string-quartet-door-alain-buet-en-les-heures-du-jour/