Nederlandse muziek in de 20ste eeuw

Jacqueline Oskamp schreef een heel opmerkelijk boek over de geschiedenis van het muziekleven in Nederland in de 20ste eeuw. Niet over cabaret en variété maar over het wel en wee van componisten, uitvoerders en concerten, gespiegeld aan de tijd, van Mengelberg en Colijn tot Rutten II. Het boek dat meer dan 350 bladzijden telt, steekt vol verhalen, details, anekdotes en beschrijvingen van onthullende feiten, geplaatst tegen de achtergrond van de sociaal maatschappelijke gebeurtenissen. Het is een boek over 100 jaar Nederlandse muziek in de 20ste eeuw in politiek en maatschappelijk perspectief.

‘Een behoorlijk kabaal’ is de geschiedenis van de klassieke muziek in het 20ste-eeuws Nederland, gespiegeld aan de maatschappelijke ontwikkelingen, historische gebeurtenissen en de veranderende tijdgeest. Het accent ligt op de pogingen tot vernieuwing versus een conservatief, muzikaal establishment. Het boek begint met het bezoek van Debussy en Schönberg in maart 1914 aan Amsterdam en eindigt met de laatste bezuinigingen door het kabinet Rutte II. Het gaat dan ook vaak over de relatie tussen muziek en politiek, over subsidies en bezuinigingen. Oskamp beschrijft bv. de positieve, culturele impuls tussen 1952 en 1963 van Jo Cals als staatssecretaris en later minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, en het daarop volgend, genereus subsidiestelsel dat kunst als autonoom beschouwde. Begin van onze eeuw kwam echter hieraan abrupt een einde wanneer politici die autonomie van de kunsten in vraag begonnen te stellen en drastische bezuinigingen begonnen door te voeren.

Aan het eind van de jaren ’60, zo lezen we, was er de “Notenkrakersbeweging” of “Aktie Notenkraker”. Een actie van jonge, Nederlandse componisten die streefden naar vernieuwing en naar meer uitvoering van eigentijdse klassieke muziek. Zij noemden zich ludiek “Notenkrakers” en hun actie was naar het voorbeeld van een ludieke actie in de theaterwereld. De toneelwereld had nl. reeds meer en meer kritiek op de overheid. Ze verweet het subsidiesysteem dat het elitair theater in stand hield dat maatschappelijk engagement miste. In 1969, tijdens de première van “De Storm” van Shakespeare door de Nederlandse Comedie onder regie van Han Bentz van den Berg, gooiden leden van de Amsterdamse Toneelschool tomaten naar de acteurs. Acteur Willem Nijholt kreeg een voltreffer. Dit vond navolging en vijf maanden lang waren de theaters in de ban van “Aktie Tomaat”. In de muziekwereld waren de drijvende krachten achter de soortgelijke “Aktie Notenkraker”, Jan van Vlijmen, Misha Mengelberg, Reinbert de Leeuw, Louis Andriessen en Peter Schat. De bekendste manifestatie van de groep was het kabaal maken in het Amsterdams Concertgebouw tijdens een concert o.l.v. Bernard Haitink.

Den Haag versus Rotterdam

De Haagse School bestond uit docenten aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, Louis Andriessen, Gilius van Bergeijk en Dick Raaijmakers en hun studenten Richard Ayres, Diderik Wagenaar, Ron Ford, Martijn Padding en Peter Adriaansz. Tegenover de Haagse School stond de Rotterdamse School rond Otto Ketting die van 1967 tot 1971 hoofddocent compositie was aan het Rotterdams Conservatorium. De term ‘Rotterdamse School’ werd rond 1980 geïntroduceerd omdat die componisten een wezenlijk ander geluid lieten horen dan de componisten uit Den Haag. De Rotterdamse School wordt dan ook gezien als een tegenhanger van de Haagse School rond o.a. Louis Andriessen. De Rotterdamse School is voortgezet door zijn opvolgers Klaas de Vries en Peter-Jan Wagemans.

De auteur legt het accent op de cultuurgeschiedenis van de muziek tussen 1913 en 2013. De titel haalde ze van een programma uit de jaren ‘70. In 1975 organiseerden de jazzmusicus Misha Mengelberg en de kunstenaar Wim T. Schippers nl. een week lang “Een behoorlijk kabaal” in het Mickery Theater in Amsterdam. De ophefmakende reeks concerten kwamen in navolging van de Fluxus-beweging uit de jaren ‘60. Het symfonieorkest werd als passé beschouwd en moest plaats maken voor jazz, improvisatie en voor gespecialiseerde ensembles. De traditionele concertvorm moest plaats maken voor politiek links getinte happenings en performances.

En uiteraard zijn de vrouwelijke componisten niet vergeten. De elf vrouwen die zich aanmelden bij het in 1911 opgerichte “Genootschap van Nederlandse Componisten” profiteerden aanvankelijk van de strijd voor vrouwenemancipatie, die op dat moment in het teken stond van algemeen kiesrecht en toegang tot de universiteit. Tijdens de tentoonstelling “De Vrouw’ 1813-1913” in Amsterdam stonden toch maar 9 concerten geprogrammeerd met 50 werken van 18 vrouwelijke componisten. Willem Mengelberg leidde het Concertgebouworkest in werk van Cornélie van Oosterzee, Anna Lambrechts-Vos en Elisabeth Kuyper.

We ontdekken “Maneto” (Manifestatie Nederlandse Toonkunst), een nieuw initiatief dat gedragen werd door 4 organisaties: de “BUMA”, de “Stichting Nederlandse Muziekbelangen”, het “Genootschap van Nederlandse Componisten” en de sectie Holland van de “International Society for Contemporary Music”. Jan van Gilse was het brein achter dit monsterverbond en samen met de componisten Guillaume Landré, Bertus van Lier en Paul F. Sanders organiseerde hij in 1937 vier concerten in het Concertgebouw.

We komen ook in contact met de muziek in voormalig Nederlands-Indië, de Javaanse muziek. Niet een Nederlander maar een Fransman herkende de waarde van het Nederlands koloniaal erfgoed. Dat er meer te halen viel in Nederlands-Indië dan koffie, thee en rubber, drong tot de toonaangevende componisten in Holland niet door. Constant van de Wall, Henk Mak van Dijk, Paul Seelig, Bernhard van den Sigtenhorst Meyer en Rient van Santen werden door het Brits tijdschrift “Musical Times” aangeduid als ‘Koloniale School’. De rest van zijn leven wijdde iemand als Jaap Kunst zich aan het onderzoek naar de muziek van Java en Bali, bandara en gamelanmuziek, o.a. door intensief veldwerk. Jakob Kunst uit Groningen (1891-1960) was een Nederlands etnomusicoloog die met de muziekcriticus Wouter Paap vanaf 1946, de redactie vormde van het beroemd muziektijdschrift “Mens en Melodie”. Ook ontmoeten we het eerste Congres voor Javaanse Muziek in Bandung. De muziekcriticus Johann Sebastian Brandts Buys (1879-1939) arriveerde in 1919 samen met zijn Indische vrouw Anne van Zijp in Nederlands-Indië. In Batavia werd hij algemeen correspondent voor de “Nieuwe Rotterdamsche Courant”.

Oskamp koppelt het gebrek aan nationale trots aan de verzuiling die Nederland tot lang na de oorlog in haar greep hield en pas met de komst van de televisie werd doorbroken. Volgens Oskamp eindigde de romantiek in Nederland pas met de onafhankelijkheid van Indonesië in 1949 waarna zich in Nederland stilaan een moderne maatschappijvisie begon te ontwikkelen. De betrokkenen bij de “Nederlandse Vereeniging tot Ontwikkeling der Moderne Scheppende Toonkunst”, Matthijs Vermeulen, Alexander Voormolen, Bernard van den Sigtenhorst en Willem Pijper deelden een oriëntatie op het Franse muziekleven.

Ook lezen we over de bezettingstijd en over de opera. Het is een bekend, maar wrang gegeven, lezen we, dat het Nederlands muziekleven juist tijdens de Duitse bezetting een stevige impuls kreeg. In het vijfde hoofdstuk ontleedt Oskamp haarfijn de dubbele moraal waarmee veel componisten en musici – ook Ruyneman – zich in deze periode staande hielden. Onder het motto ‘doe niet principieel’ sloten zij de ogen voor de Jodenvervolging en maakten dankbaar gebruik van het door de bezetter opgetuigde prijzen- en opdrachtenfonds. Slechts enkelen, onder wie Hendrik Andriessen en Jan van Gilse, hielden hun rug recht, zo lezen we.


Leo Smit studeerde piano aan het Conservatorium van Amsterdam bij Sem Dresden en Ulfert Schults en daarna compositie bij Bernard Zweers en Sem Dresden. In 1927 verhuisde hij naar Parijs, waar de muziek van Maurice Ravel en Igor Stravinski grote indruk op hem maakte. Hier had hij veel contact met de “Groupe des Six”. Leo Smit en zijn vrouw Lientje werden op transport gesteld naar Westerbork waarna de deportatie volgde naar het vernietigingskamp Sobidor. Daar werden zij drie dagen later vergast.

Aangaande opera beschrijft Oskamp de hernieuwde populariteit van opera als genre vanaf de jaren ’90, treffend als het einde van de protestcultuur, gelieerd aan het multi- en interdisciplinair postmodernisme. Het was de tijd van het einde van het cultureel socialisme dat een einde maakte aan het modernisme toen links de culturele ideologie verruilde voor het neokapitalisme. Straffe taal.

Daniël Ruyneman (1886-1963)

In “Een behoorlijk kabaal” gaat het over de veronachtzaming van muziek van eigen bodem en de vraag of Nederland zijn talenten al dan niet wilde of wil koesteren. In het eerste deel loopt daarom de componist Daniel Ruyneman (1886-1963) als rode draad doorheen het verhaal. Deze witte raaf was een verwoed voorvechter van nieuwe muziek die Stravinsky en Bartók naar Nederland haalde, succesvolle, vernieuwende concertseries organiseerde en alle aandacht had voor jonge, Nederlandse componisten.

De naam Daniël Ruyneman is verbonden aan een incident dat zich afspeelde op 24 november 1918. De Zevende symfonie (de Zuiderzee-symfonie) van Cornelis Dopper werd die dag in het Concertgebouw uitgevoerd o.l.v. van Dopper zelf. De vooruitstrevende componist en muziekcriticus Matthijs Vermeulen zat in de zaal en riep op een pijnlijk goed gekozen moment, net voor het applaus, “Leve Sousa!”. Op 1 december 1918, toen de commotie rond de conservatieve componist Cornelis Dopper en diens tegenstrever Matthijs Vermeulen in het Amsterdamse Concertgebouw ondertussen hoog opgelopen was, behoorde Ruyneman – met de kunstenaar en activist Erich Wichman – tot degenen die op hun beurt een concert verstoorden als steunbetuiging aan Vermeulen. Het protest was gericht tegen Dopper en het programmabeleid van Willem Mengelberg en het bestuur van het Concertgebouworkest. De dirigent van het bewuste concert was Evert Cornelis. Hij veroordeelde de actie niet en werd daarom ontslagen bij het Concertgebouworkest.

In 1918 richtten Ruyneman, met Sem Dresden, Henri Zagwijn, Bernhard van den Sigtenhorst Meyer, Alexander Voormolen en (later) Willem Pijper, de “Nederlandsche Vereeniging tot Ontwikkeling der Moderne Scheppende Toonkunst” op. Die werd in 1924 de sectie Holland van de “International Society for Contemporary Music”. In de jaren ’20 kwam Ruyneman in Groningen in contact met de kunstschildersgroep “De Ploeg” en werd muziekredacteur van het Blad voor Kunst van Hendrik Werkman. Hij leidde ook het Groninger Studenten Muziekgezelschap Bragi en gaf daarmee in 1925 in de Stadsschouwburg de Nederlandse première van de ballet pantomime “Le Boeuf sur le toît” van Darius Milhaud en Jean Cocteau. Ruyneman ensceneerde ook werken van Debussy in samenwerking met de Ploeg-schilder Johan Dijkstra. Begin jaren ‘30 richtte hij in Amsterdam de “Nederlandsche Vereeniging voor Hedendaagsche Muziek” op. In de jaren ’50 organiseerde hij concerten in het Stedelijk Museum met eigentijdse muziek van o.a. Luciano Berio, Pierre Boulez, Luigi Nono en Karlheinz Stockhausen.

Jakob van Domselaer (1890-1960)

Veel aandacht gaat uiteraard ook naar Jakob van Domdelaer/Domselaar. In 1912, lezen we, ontmoette Van Domselaer tijdens een reis naar Parijs de Nederlandse non-figuratieve schilder Piet Mondriaan, op aanraden van Catharine Hannaert, met wie beiden bevriend waren. Er ontstond een vriendschap en Van Domselaer legde zich erop toe de ideeën die Mondriaan had verwezenlijkt in de schilderkunst, ook te realiseren in de muziek. Het resultaat hiervan waren de Proeven van Stijlkunst, negen composities geschreven tussen 1913 en 1916. Het zijn de enige muziekstukken die zijn verwezenlijkt volgens de naar muziek vertaalde, op abstractie gerichte principes van De Stijl, de kunstbeweging die Mondriaan samen met andere kunstenaars als Theo van Doesburg en Bart van der Leck had opgericht in 1917. Nelly van Doesburg, de vrouw van Van Doesburg, speelde – als een van de weinige pianisten – de Proeven van Stijlkunst op de door haar georganiseerde Dada-avonden.

In 1918 was Van Domselaer uitgekeken op de ideeën van De Stijl. Hij sloeg een andere weg in. Hij verhuisde van Laren (NH) naar het rustieke Bergen (NH). Zijn nieuwste werken waren geen ‘composities’ meer, maar ‘geluidsstukken’. Een sprekend voorbeeld is zijn Sonate No. 9 uit 1924. Ook uit die periode is zijn Eerste symfonie (1921), die pas in 2002 voor het eerst ten gehore werd gebracht door het Noord Nederlands Orkest. Vanaf 1930 schreef hij vrijwel alleen suites en variaties, maar zijn werk bleef onbekend bij het publiek. Toch bleef hij componeren. Uiteindelijk had hij 39 sonates, suites en variaties op zijn naam staan. Van Domselaer gaf ook compositieles en heeft in beperkte mate school gemaakt. Tot zijn leerlingen behoorde aan het eind van de jaren veertig zijn plaatsgenoot Simeon ten Holt.

De auteur getuigt van een indrukwekkende eruditie. Dit boek dat minstens zo interessant is als het boek van Leo Samama over hetzelfde onderwerp (Amsterdam University Press), maar scherpzinniger en kritischer is, mag geen enkele muziekliefhebber missen. Zeker, zeker lezen. Magistraal!

Jacqueline Oskamp (°1964) studeerde politicologie aan de Universiteit van Amsterdam. Als recensente en journaliste was ze verbonden aan o.a. De Groene Amsterdammer, de Volkskrant en Vrij Nederland. Eerder publiceerde zij “Radicaal gewoon. Bestaat er zoiets als Nederlandse muziek?” en “Onder stroom. Geschiedenis van de elektronische muziek in Nederland”.

Jacqueline Oskamp Een behoorlijk Kabaal een cultuurgeschiedenis van Nederland in de twintigste eeuw Uitg. Ambo|Anthos 384 bladz. geïllustreerd ISBN 9789026323256

http://www.stretto.be/kijken-maar-ook-luisteren-dada-meer-dan-een-antibeweging/#more-1659

http://www.stretto.be/mondriaan-en-het-kubisme/#more-3777

http://www.stretto.be/subliem-nieuw-boek-over-piet-mondriaan/

http://www.stretto.be/de-schepping-van-een-aards-paradijs-het-fenomenaal-boek-van-leon-hanssen-over-piet-mondriaan/#more-3829