Ontdek de verfijnde “Cantate e Sonate” van Giovanni Lorenzo Lulier op het label Alpha.

In het Rome van de late 17de-, begin van de 18de eeuw, trokken de academies en “conversazioni”, georganiseerd door aristocraten en kardinalen, geleerden en musici aan. Onder hen bevonden zich Corelli, Alessandro Scarlatti en de jonge Händel. Ook de cellist en componist, Giovanni Lorenzo Lulier, nam deel aan deze intense muzikale samenkomsten.

De Italiaanse violist, cellist, trombonist en componist, Giovanni Lorenzo Lulier (ca. 1662-1700), die men “Giovannino del Violone” noemde, was waarschijnlijk afkomstig uit een Spaans-geboren familie en was een leerling van Pietro Simone Agostini (1635-1680), die in dienst was van de hertog Ranuccio II Farnese van Parma.

Tussen 1676 en 1699 speelde Lulier regelmatig in de kerk van San Luigi dei Francesi in Rome (met drie schilderijen van Caravaggio, in de Contarelli-kapel), en in oktober 1679 trad hij toe tot de congregatie van Santa Cecilia. Vanaf maart 1681 was hij als componist, kopiist en Violone speler, werkzaam in dienst van kardinaal Benedetto Pamphili. Ook Alessandro Scarlatti, Corelli, Alessandro Melani, Antonio Maria Bononcini en Carlo Francesco Cesarini waren in dienst van Pamphili. Toen de kardinaal in 1690 Rome verliet, kwam Lulier als cellist en collega van Filippo Amadei, die men “Pippo del Violoncello” noemde, in dienst van kardinaal Pietro Ottoboni. Lulier bleef er tot aan zijn overlijden. In de jaren 1690 speelde hij overigens als cellist ook af en toe concerten mee o.l.v. Arcangelo Corelli. Voor Luliers oratorium “Beatrice d’Este” (1689) componeerde Corelli trouwens een concerto grosso als instrumentale inleiding. Van Lulier zijn weliswaar bijna uitsluitend vocale werken bekend, die echter grotendeels verloren zijn gegaan, waaronder talloze oratoria, toneelmuziek en cantaten.

Toen Lulier in 1690 lid werd van het entourage van kardinaal Pietro Ottoboni, was hij al tien jaar actief als componist van oratoria, opera’s en vooral kamercantates. In zijn paleis, het Palazzo della Cancelleria (foto), organiseerde Ottoboni wekelijks concerten en operavoorstellingen. Hij had de beschikking over een eerste klas orkest, Alessandro Scarlatti was bij hem in dienst, en Corelli woonde bij hem in. Hij schreef zelf libretti en op zijn vraag gingen Händel en Domenico Scarlatti een wedstrijd aan in improvisatie op klavecimbel en orgel. Ook Antonio Vivaldi had opdrachten aan hem te danken en Händel componeerde voor deze “Arcadische” bijeenkomsten zijn eerste oratoria. Oorspronkelijk bestaande uit enkel opeenvolgende, strofische aria’s, ontwikkelde de cantate zich in de “Accademia dell’Arcadia” (“Pontificia Accademia degli Arcadi”), langzamerhand tot een specifiek poëtisch en muzikaal genre, gekenmerkt door de afwisseling van recitatieven en aria‘s. In de 17de- en 18de eeuw behoorde tot de conversazioni ook instrumentale muziek. Het genre ging immers terug tot de instrumentale “Affetti musicali” uit 1617 van Biagio Marini. Daarom ontdekt u op deze cd ook twee bijzondere, instrumentale sonaten met cello, toegeschreven aan Lulier.

Op de cd staan vier cantaten en twee sonaten, één voor cello en continuo en één voor viool, cello en continuo. ‘Là dove in seno’, een dialoog tussen Venus en Cupido, is duidelijk een cantate over een mythologisch thema. ‘La Didone’, voor sopraan en basso continuo, kan worden gedateerd rond 1692. De dichter, Mario Reitani Spatafora, bekend in Arcadia als Fidauro Maniaco, beschreef volgens de Vergiliaanse traditie, de laatste momenten in het leven van koningin Dido, verlaten door Aeneas. ‘Ferma alato pensier’ werd voor het eerst uitgevoerd tegen het eind van september 1693 aan één van de academies van de kardinaal, door de castraat, Andrea Adami da Bolsema. ‘Amor, di che tu vuoi’ is een cantate voor sopraan, cello en basso continuo. Het belang van deze cantate, in het repertoire van Lulier in het bijzonder en in de context van de Romeinse traditie in het algemeen, ligt in de rol van de cello. En dit vooral in de aria ‘I begli occhi del mio bene’, waar hij een belangrijke solopartij heeft, genoteerd op een afzonderlijke notenbalk in de partituur. De cello speelt ook een concertante rol in de andere twee aria’s van deze cantate. De aria met cello verbindt deze cantate met de Romeinse traditie van de ‘aria con due bassi’ en suggereert een datum tussen 1695 en 1700. In die jaren werden nl. twee collecties van aria’s van dit type gepubliceerd in Rome. In één van hen, van de hand van Tommaso Bernardo Gaffi, een leerling van Pasquini en organist van de Santa Maria Maggiore, is er een verrassende thematische gelijkenis met de aria van Lulier.

Francesca Boncompagni (°1984) uit Arezzo, heeft een kristalheldere stem. Haar bijwijlen, licht vibrato klinkt passend als een natuurlijk portamento, terwijl ze ook strakke, vlakke hoge tonen zingt. Samen met de warme klank van de continuo met vaak een virtuoze partij voor de cello, interpreteert en intoneert ze de teksten en de muziek in diverse stemmingen, van opgewekt en dansant tot langoureus en aangrijpend affectief. Lyrische aria’s wisselen af met dramatisch expressief gezongen recitatieven. Heel, heel mooi. Alle teksten staan in het bijbehorend boekje. Warm aanbevolen.

Giovanni Lorenzo Lulier Cantate e Sonate Francesca Boncompagni Accademia Ottoboni Marco Ceccato cd Alpha ALPHA406

http://www.stretto.be/2017/10/01/de-cello-van-de-kardinaal-door-de-accademia-ottoboni-o-l-v-cellist-marco-ceccato/