Sergei Prokofiev, Piano Concertos Nos.1, 3 & 4 door Vadym Kholodenko en het Fort Worth Symphony Orchestra o.l.v. Miguel Harth-Bedoya, op het label harmonia mundi. Indrukwekkend! 

De Van Cliburn Gold-medaillewinnaar Vadym Kholodenko, werd in 2014/15, de eerste artistieke partner van het Symfonieorkest van Fort Worth. Hij besluit nu met deze nieuwe cd de opname van zijn complete cyclus van Prokofievs pianoconcerti. De drie concerti die hier te horen zijn, werden gecomponeerd gedurende een periode van twee decennia (1911-1930) en stuitten op een zeer ongelijke ontvangst, die varieerde van grote populariteit en lovende kritieken in het geval van nr.3, tot onbegrip en verwaarlozing, in het geval van nr.4. Deze cd mag rekenen op een goeie ontvangst. Ze is nl. meesterlijk!

De Oekraïense pianist Vadym Kholodenko (°1986) uit Kiev, trok als winnaar van de gouden medaille op de veertiende Van Cliburn International Piano Competition (foto), door zijn betoverende en opwindende uitvoeringen, zowel de aandacht van de jury, het publiek als de critici. Vadym speelde tijdens de laatste ronde twee concerti met het Fort Worth Symphony Orchestra o.l.v. Leonard Slatkin. Zijn cadens in Mozarts Concerto nr. 21 in C, K. 467, die hij in het vliegtuig schreef, werd geprezen als fascinerend contrapuntisch. Kholodenko voerde in 2013-14 meer dan 50 opdrachten uit als onderdeel van zijn debuutseizoen als Cliburn Gold Medalist, waaronder met het Bakersfield (CA) Symfonie Orkest, in het Mann Center met het Philadelphia Orchestra, “La Jolla Music Society” in San Diego, Californië, “CU Presents” (University of Colorado), “Cliburn Concerts”, het “Krannert Center” voor uitvoerende kunsten in Urbana, Illinois, het “Lied Center of Kansas” en “Portland Piano International”.

De Peruaanse dirigent, Miguel Alberto Harth-Bedoya (°1968), is momenteel muziekdirecteur van het Fort Worth Symphony Orchestra en chef-dirigent van het Noors Radio Orkest. Harth-Bedoya werd geboren in Lima en studeerde aan het Curtis Institute in Philadelphia. Later volgde hij de Juilliard School in New York, waar zijn leraar Otto-Werner Mueller was. Hij studeerde af aan Juilliard in 1991 met een Bachelor of Music diploma en in 1993 met een Master of Music graad, beide in dirigeren. Zijn andere leraren waren Gustav Meier en Seiji Ozawa. In zijn geboorteland Peru hielp Harth-Bedoya met de oprichting van het Orquesta Filarmonica de Lima en de Compañía Contemporánea de Opera, en werkte met beide ensembles van 1993 tot 1998. In de VS werkte Harth-Bedoya met de Norwalk Jeugdsymfonie (Connecticut), waarmee hij zijn debuut in Carnegie Hall maakte.

Hij was van 1993 tot 1997 muziekdirecteur van de New York Youth Symphony, en werkte ook als lid van de Juilliard-uitvoerende faculteit. Van 1996 tot 2002 was Harth-Bedoya muziekdirecteur van de “Eugene-symphony”, een symfonieorkest in Eugene in Oregon. In 1998 werd hij door Esa-Pekka Salonen benoemd tot assistent-dirigent van de Los Angeles Philharmonic. Salonen promoveerde vervolgens tot dirigent in 1999 en Harth-Bedoya bekleedde deze functie tot en met 2004. In 2002 won Harth-Bedoya samen met JoAnn Falletta, de “Seaver/National Endowment for the Arts Conductors Award” (New World Symphony of Miami/Juilliard School). Kent Nagano won die prestigieuze prijs voor dirigenten in 1985.

Prokofjev begon, slechts twintig jaar oud, met het componeren van zijn Eerste pianoconcert in Des Groot (op. 10) in het jaar 1911. In 1912 rondde hij de compositie af. Zijn eerste pianoconcert is met een duur van ongeveer een kwartier, het kortste van zijn vijf voltooide pianoconcerti. Met een uitvoering van zijn pianoconcert aan het conservatorium te Sint-Petersburg in 1914 behaalde Prokofjev de Anton Rubinsteinprijs. Hij maakte in mei 1912 ook een transcriptie voor twee piano’s van het concerto. Prokofjev speelde zelf de première in Moskou in 1912, o.l.v. Konstantin Saradzhev. Het Allegro brioso en het Allegro scherzando delen een grotesk thema dat in Des-groot staat geschreven. Het Andante assai doet veel donkerder aan, maar doet zeker niet onder voor de andere twee delen. Mede door het gebruik van blazers doet het Andante assai een gelijkende sfeer oproepen als het Adagio assai uit het latere pianoconcert in G van Ravel.

Hoogtepunt is uiteraard het meesterlijk 3de Pianoconcerto. Prokofiev begon eigenlijk aan dit Pianoconcerto in do groot, op. 26 (1917 tot 1921) toen hij in 1913, een thema met variaties componeerde. Dit legde hij toen weliswaar terzijde. Prokofjev zocht nl. inspiratie voor dit concerto in zijn “houten boek”, een boekje met een houten kaft, waarin hij melodische ideeën noteerde. Hiermee lag de basis voor dit concerto dus eigenlijk al in de periode tussen 1911 en 1918. Het Andante – Allegro bevat twee thema’s uit 1916 en een akkoordenpassage uit 1911. Het thema con variazioni is ontstaan uit schetsen uit 1913 en het Allegro, ma non troppo bestaat uit thema’s die oorspronkelijk waren bedoeld voor een strijkkwartet gedateerd 1918. Hoewel hij de schetsen in 1916-17 herwerkte, wijdde hij zich pas opnieuw aan het project in 1921 toen hij de zomer in Parijs doorbracht. Prokofiev speelde zelf de solopartij op de première op 16 december 1921 met het Symfonieorkest van Chicago o.l.v. Frederick Stock. Het werk was niet meteen een succes. Dat kwam er wel in 1922 nadat Sergej Koussevitzky het dirigeerde in Parijs. De eerste Sovjet uitvoering was op 22 maart 1925, door Samuil Feinberg, met het Orkest van het Theater van de Revolutie o.l.v. Konstantin Saradzhev. 

Samuil Feinberg (foto) was een Russische pianist, een componist en een belangrijke vertegenwoordiger van de Russische pianoschool van Joodse oorsprong. Hij werd geboren in de Oekraïne, leefde nochtans beginnend vanaf de leeftijd van 4 jaar in Moskou. Over zijn leraar Alexander Goldenweiser heen, diens leraar Pabst, die op zijn beurt door de Czerny-leerling Anton Door was onderwezen, leidde zijn pianistische stamboom tot Ludwig van Beethoven. Ook in zijn spel kenmerkten zich de karakteristieken van de Russische pianoschool die steunde op Beethoven, Alexander Siloti en Franz Liszt. Feinberg speelde en bestudeerde intensief Johann Sebastian Bach, in het bijzonder diens “Wohltemperiertes Klavier” en Choralbearbeitungen voor orgel die Feinberg arrangeerde voor piano. Feinberg componeerde drie pianoconcerti, twaalf pianosonaten naast talrijke andere pianowerken en volksliedbewerkingen. Feinberg was jurylid in 1938 van de eerste Ysaye-wedstrijd in Brussel voor piano. Winnaar werd toen de 22-jarige Emil Gilels uit Oekraïne.

De eerste beweging (do groot) opent met een andante klarinetsolo; een lange, lyrische melodie, die uiteindelijk door het gehele orkest wordt overgenomen en uitgebreid. De allegro inzet van de piano breekt de sfeer onverwachts in een uitbundige, harmonische passage. Piano en orkest gaan verder in een dialoog tot de piano in een onverwachte, marsachtige climax, de harmonische structuur van het tweede thema aankondigt. Het 2de thema, aanzienlijk dissonanter, wordt eerst gespeeld door het orkest en vervolgens uitgebreid verwerkt door de piano. Dit leidt tot de beruchte passage met octaven en gekruiste handen. Volgt de herneming van het eerste thema door het orkest en een variante in de piano, vooraleer de piano de oorspronkelijke inzet herneemt, om vervolgens de rest van de beweging met octavenspel en glissandi, te domineren.

De tweede beweging (mi klein) bestaat uit een thema met vijf variaties en laat een lichtelijk sarcastisch stukje humor zien. Het hoofdthema, gespeeld door het orkest is een haastige gavotte. De eerste variatie is een brede herhaling van het thema door de piano beginnend met een lange triller gevold door een glissando-achtig loopje in dialoog met de klarinet (cfr. Gershwins “Rhapsody in Blue” uit 1924).

De tweede variatie wordt gespeeld door het orkest in een galopperende passage waar de piano enige spanning veroorzaakt met lange loopjes over het klavier. De derde variaties is een zwaar syncopisch omgevormde versie van het hoofdthema met een jazz-achtig vleugje erover heen. Het vierde thema, – waarschijnlijk het bekendst -, is een griezeling, spokende adaptie van het thema waar een sinistere dialoog wordt gevoerd tussen de piano en het orkest. Een koel motief van dalende tertsen voor de piano voegt een buitenaards sfeertje toe. De vijfde variatie is een allegro voor solist en orkest beginnend in een stralende majeur sleutel, maar die moduleert als het hoofdthema om de hoek komt kijken. In het coda wordt het hoofdthema in haar originele vorm gespeeld. In een kort andante krijgt de piano het laatste woord met een laag e-mineurakkoord.De derde beweging (do groot) werd door Prokofjev zelf beschreven als een “ruzie” tussen de solist en het orkest. Het Allegro, ma non troppo opent in a mineur met het hoofdthema gespeeld door de fagotten en pizzicato spelende strijkers plots gestoord door de pianist die een contrasterend thema speelt. De interactie laait op met een kleine versnelling voordat een tweede thema door de blazers wordt gespeeld. De piano geeft een sarcastisch antwoord, waarna de rust wordt opgebouwd tot een climax voor de pianist en strijkers. Deze ebt weg in het coda. Het meest virtuoze deel van het concert doet zich aan met een allegro terugkeer van het hoofdthema met de fagotten, maar in e mineur. De pianist gaat als een kabbelend beekje over het klavier heen. De piano komt terug met een D-Groot passage en gaat over in een bitonale passage tegenover de in G Groot spelende strijkers. De coda explodeert in een muzikale strijd tussen de solist en het orkest met knallende geclusterde pianoakkoorden. Het Allegro, ma non troppo gaat weer over in C Groot om te eindigen in een indrukwekkend fortissimo.

Prokofjev componeerde zijn Pianoconcert nr. 4 in Bes Groot (op. 53) voor de linkerhand, op verzoek van Paul Wittgenstein (foto), een Oostenrijkse pianist die zijn rechterhand in de Eerste Wereldoorlog had verloren. De compositie beleefde haar première pas in 1956, drie jaar na het overlijden van de componist en 25 jaar nadat het voltooid was. Het was daarmee het enige pianoconcert van Prokofjev dat niet tijdens zijn leven werd uitgevoerd. De première was in Berlijn in september 1956 door Siegfried Rapp die in W.O. II zijn rechterarm verloor, en het Rundfunk-Sinfonieorchester Berlin o.l.v. Martin Rich.

Paul Wittgenstein (1887-1961) (foto) was een oudere broer van de filosoof Ludwig Wittgenstein. Hij studeerde bij Theodor Leschetizky en debuteerde als concertpianist in 1913. Tijdens de Eerste Wereldoorlog raakte hij in militaire dienst gewond tijdens een patrouille bij Zamość in Polen, doordat een sluipschutter zijn rechterarm met een kogel doorboorde, waarna zijn rechterarm moest worden geamputeerd. Na de oorlog arrangeerde en speelde hij pianostukken voor alleen de linkerhand. Door het vermogen van zijn vader, de staalmagnaat Karl Wittgenstein, kon hij opdrachten geven aan Benjamin Britten, Paul Hindemith, Richard Strauss, Korngold, Franz Schmidt en Sergej Bortkiewicz, om speciaal werk voor hem te componeren. Het bekendste werk dat speciaal voor hem werd gecomponeerd was het “Concerto pour la main gauche” (1930) van Maurice Ravel.

De eerste en de vierde beweging van het vierde Concerto bezitten een zekere vorm van vrolijkheid en geestigheid maar in het Andante is er meer persoonlijke betrokkenheid. Het enigszins sarcastisch Moderato neemt de plaats in van een “sonate-allegro” en er is duidelijk verwijzing naar Stravinski. De korte vierde beweging is een samenvatting van de eerste beweging. Een meesterlijke uitvoering die u geenszins mag missen!

Sergei Prokofiev Piano Concertos Nos.1, 3 & 4 Vadym Kholodenko  Fort Worth Symphony Orchestra Miguel Harth-Bedoya cd harmonia mundi  HMM907632

http://www.stretto.be/2018/03/21/piano-concertos-nrs-2-van-rachmaninov-prokofiev-door-pianist-denis-matsuev-meesterlijk-fenomenaal/