“Beethoven “Für Elise”, Bagatelles Opp. 33, 119 & 126” door pianist Paul Lewis, op het label harmonia mundi.

De grote Beethoven heeft naast zijn monumentale sonates, ook een groot aantal kleine en eerder lichtvoetige solowerken voor klavier geschreven, korte werken aangeduid als miniaturen of als bagatellen. Beethoven noemde ze zelf “Kleinigkeiten”. Het bekendst was “Für Elise” op. 126 woO59 uit ca. 1810. Paul Lewis heeft Beethovens bagatellen op. 33, 119 en 126 opgenomen, waarmee de magnifieke Beethoven 2020-2027 reeks verder wordt uitgebreid.In ons collectief idee van de piano wordt de naam van Beethoven geassocieerd met de monumentale 32 sonates, die werden verheven tot de status van het ‘Nieuwe Testament’ naast het ‘Oude Testament’ van Bachs Wohl temperierte Clavier. Toch keerde de componist van “Für Elise” in een aanzienlijk lange periode, voortdurend terug naar het genre van de bagatelle, dat hij ‘kleinigheden’ noemde, maar die voor hem veel betekenden. De Bagatelle in do klein, WwO 52 (1795) bv., een echt scherzo, zou oorspronkelijk een beweging van de Sonate op. 10/1 in dezelfde toonaard zijn geweest, maar werd uiteindelijk vanwege de lengte geschrapt. De oudste bekende bagatelle werd gecomponeerd door François Couperin, in boek 2 van zijn Pièces de Clavecin, Ordre 10 in D majeur/d mineur. Het stuk is getiteld “Les Bagatelles”. In deze gelijkaardige, kleine vorm bij uitstek, legde Beethoven de basis voor een bloeiend nieuw genre, de pianominiatuur. En, of ze nu een paar minuten of een paar seconden duren, deze bagatellen zijn meesterwerkjes.

De Bagatelles, Op. 33, voor solo piano werden gecomponeerd in 1801-1802 en in 1803 uitgegeven door de Weense uitgeverij Kunst-Industrie. De zeven bagatellen waren vrij typerend voor de vroege stijl van Beethoven en hadden veel compositorische kenmerken van de vroege klassieke periode.

De 11 Bagatelles, Op. 119 werden gecomponeerd tussen 1790 en begin 1820. Eind 1803 had Beethoven al bagatellen nrs. 1 tot en met 5 geschetst (samen met een aantal andere korte pianowerken die hij nooit publiceerde). In 1820 componeerde hij de laatste vijf bagatellen van Op. 119, en publiceerde ze als een reeks van vijf in 1821. Het volgende jaar herzag hij zijn oude bagatelle-schetsen om een nieuwe collectie te maken voor publicatie, en voegde een laatste bagatelle, nr. 6 toe, gecomponeerd eind 1822. Hij stuurde deze vervolgens als een reeks van zes naar Engeland voor publicatie in 1823, samen met nrs. 7 tot en met 11, die nog niet in Engeland waren gepubliceerd. De Engelse uitgeverij drukte alle elf bagatellen samen als één collectie. Sommigen hebben betoogd dat de twee helften van Op. 119 – nrs. 1 tot en met 6 en nrs. 7 tot en met 11, het best beschouwd worden als afzonderlijke collecties. Het is echter ook mogelijk dat Beethoven, toen hij eind 1822, nummer 6 componeerde, al van plan was geweest om alle elf stukken naar Engeland te sturen. In dat geval zou nr. 6 niet bedoeld zijn als conclusie voor de eerste vijf, maar als een manier om ze met de laatste vijf te verbinden. De belangrijkste relatie en thematische overeenkomsten tussen nr. 6 en nr. 7 ondersteunen deze hypothese, evenals het feit dat Beethoven in latere correspondentie alleen tevreden was over hoe de bagatelles in Engeland werden gepubliceerd.

Beethovens Bagatelles, Op. 126 voor solo piano verschenen laat in zijn carrière, in het jaar 1825. Beethoven droeg ze op aan zijn broer Nikolaus Johann van Beethoven (1776–1848) en schreef aan zijn uitgever, Schott Music, dat de Opus 126 Bagatelles “waarschijnlijk de beste die ik heb geschreven “. Een bagatelle, in het gebruik van Beethoven, is een soort kort karakterstuk. In de voorafgaande opmerkingen bij de editie van de werken merkte Beethoven op de zes bagatellen in volgorde te willen spelen als een enkel werk. In een aantekening noemde Beethoven ze in het manuscript, “Ciclus von Kleinigkeiten”. De bagatellen waren door en door typerend voor de componist en vertoonden affiniteit met de grotere instrumentale werken die tegelijkertijd werden geschreven. Naast deze 3 reeksen Bagatellen, ontdekt u op de cd “Für Elise” WoO 59, de Klavierstücke WoO 60, 61 en 61a, en de Fantasia op. 77. Niet te missen!

Het is niet zeker wie “Elise” was. De populairste theorie is dat Beethoven zijn werk oorspronkelijk “Für Therese” getiteld had. Het was de uitgever, Ludwig Nohl (1831-1885), die in 1865 Beethovens handschrift van het tot dan toe volkomen onbekend pianostuk in a-klein vond in de nalatenschap van de familie Gleichenstein. Een voorvader van deze familie, Ignaz von Gleichenstein (1778-1828), was in de jaren 1807-1810 bevriend geweest met Beethoven. Ignaz was kind aan huis bij de welgestelde familie Malfatti.

Therese Malfatti (1792-1851) (foto) stond op dat moment in het middelpunt van Beethovens aandacht. Van Ludwig Nohl is bewezen dat hij buitengewoon slecht Beethovens handschrift kon ontcijferen. Het is mogelijk dat op het autograaf niet “Für Elise”, maar “Für Therese” heeft gestaan. Een ander verhaal is dat het ging om Elisabeth de Robiano, geboren 1773, en sedert 1799 gehuwd met Charles Pierre le Candèle de Gyseghem (1761-1830), de pianiste, Elise Barensfeld, of dat “Für Elise” gecomponeerd zou zijn voor de sopraan en operazangeres, Elisabeth Röckel (foto) (1793–1883). Zij huwde in 1813 met de componist Johann Nepomuk Hummel (1778–1837), een vriend en muzikale rivaal van Beethoven. Hun eerste kind werd in maart 1814 gedoopt als Maria Eva, in die tijd werd ze in Wenen weliswaar als ‘Elise’ aangesproken. Het koppel verhuisde in 1816 naar Stuttgart en vestigde zich in 1819 in Weimar. Ook na hun verhuizing bleef Ludwig van Beethoven nauwe contacten onderhouden met hen. Tot een relatie kwam het echter nooit, maar Elisabeth Röckel bewaarde tot aan haar overlijden een haarlok en een ganzenveer van Beethoven.

Paul Lewis (°1972) studeerde bij Joan Havill aan de Guildhall School of Music and Drama in Londen alvorens te studeren bij Alfred Brendel. Hij is co-artistiek directeur van Midsummer Music, een jaarlijks kamermuziekfestival in Buckinghamshire, en van de International Piano Competition in Leeds. Paul Lewis is één van de toonaangevende muzikanten van zijn generatie. Zijn opnamen van pianowerken van Beethoven en Schubert werden wereldwijd unaniem toegejuicht, en consolideerden zijn reputatie als één van ‘s werelds belangrijkste vertolkers van het klassiek repertoire. Hij is “Instrumentalist van het Jaar” benoemd door de Royal Philharmonic Society, hij won twee Edison Awards, drie Gramophone Awards, een Gouden Diapason, de Preis der Deutschen Schallplattenkritik, de Premio Internazionale Accademia Musicale Chigiana, en de South Bank Show Klassieke muziekprijs. Paul Lewis kreeg daarnaast eredoctoraten van de Liverpool Edge Hill en Southampton Universiteiten, en werd benoemd tot Commandeur in de Orde van het Britse Rijk (CBE).

Zijn veelvuldig bekroonde discografie voor Harmonia Mundi omvat de complete pianosonaten, pianoconcerti en Diabelli Variaties van Beethoven, de Sonate en late werken van Liszt, alle grote pianosonaten van Schubert uit de laatste zes jaar van zijn leven, inclusief opnamen met de tenor Mark Padmore, solowerken van Schumann en Moessorgski, en het Pianoconcerto in re klein van Brahms met het Zweeds Radio Symfonisch Orkest o.l.v. Daniel Harding. In het seizoen 2018 was Paul Lewis ‘artist in residence’ in Flagey in Brussel.

Beethoven “Für Elise”, Bagatelles Opp. 33,119 & 126 Paul Lewis piano cd harmonia mundi HMM902416

http://www.stretto.be/2018/03/27/pianosonaten-van-joseph-haydn-door-paul-lewis-op-harmonia-mundi/