“Monteverdi, complete Madrigals” door Delitiae Musicae o.l.v. Marco Longhini, op het label Naxos.

Het madrigaal, gecomponeerd voor het hof en andere opdrachtgevers, was in de overgang van de renaissance naar de vroeg barok, het ultiem wereldlijk lied. Het genre bereikte zijn hoogtepunt met de technische en expressieve innovaties in de opeenvolgende boeken met madrigalen van Claudio Monteverdi. In zijn madrigalen, een vocaal genre ontstaan uit het Trecento-madrigaal in noord-Italië, onderzocht Monteverdi thema’s als de wisselvalligheden en genoegens van de liefde, evenals de kunst van oorlog en de pijn door verlies. De edities die in deze opnames worden gebruikt, zijn de meest authentieke en gebruiken, in overeenstemming met de 17de -eeuwse praktijk, alleen mannenstemmen. Geprezen als meeslepend, tegelijkertijd gecontroleerd en fantasierijk, bevat de collectie ook stukken die nog nooit eerder zijn opgenomen.

Marc Antonio Ingegneri (ca. 1575-1592), Monteverdi’s leraar, was een meester in de vocale stijl van de musica reservata, die het gebruik van chromatische progressies en woordschildering omvatte.  Monteverdi’s vroege composities waren gebaseerd op deze stijl. Ingegneri ontwikkelde nl. in zijn 8 bundels madrigalen, op volledig nieuwe wijze, de hem typerende chromatiek (madrigalismen) ten dienste van de tekst uitbeelding. Monteverdi moet via Ingegneri hiervan kennis hebben kunnen nemen en heeft dit verder ontwikkeld. Ingegneri was een traditionele Renaissance-componist, maar Monteverdi bestudeerde ook het werk van meer “moderne” componisten zoals Luca Marenzio (foto), Luzzasco Luzzaschi en even later, Giaches de Wert, van wie hij de kunst van het uiten van passie zou leren. Monteverdi’s vroege, korte, driestemmige stukken putten uit de luchtige, moderne stijl van de villanella’s van Marenzio, voortbouwend op een substantiële vocabulaire van tekst gerelateerde madrigalismen.

De canzonetta-vorm werd veel gebruikt als een technische oefening en was een prominent element in Monteverdi’s eerste madrigalenboek dat in 1587 werd gepubliceerd. In dit boek weerspiegelden de speelse, pastorale omgevingen opnieuw de stijl van Marenzio, terwijl de invloed van Luzzaschi tot uiting kwam in Monteverdi’s gebruik van dissonantie.  Het tweede boek (1590) begint met een toonzetting naar het voorbeeld van Marenzio, van een moderne tekst, Torquato Tasso’s “Non si levav ‘ancor”, en eindigt met een tekst van 50 jaar eerder, Pietro Bembo’s “Cantai un tempo”. Monteverdi zette de laatste op muziek in archaïsche stijl die nog doet denken aan “il divino Cipriano’, Cipriano de Rore. Daartussenin staat “Ecco mormorar l’onde”, sterk beïnvloed door de Wert, hét  meesterwerk van het tweede boek.

Als componist van madrigalen verwierf De Rore (foto) blijvende roem. Hij was verreweg de meest invloedrijke madrigalist van het midden van de 16de eeuw. Hij componeerde er meer dan 120, verdeeld over tien afzonderlijke boeken, uitgegeven tussen 1542 en 1565. Andere van zijn madrigalen werden afzonderlijk gepubliceerd. Meestal zijn ze vier- of vijfstemmig, en de geest van zijn composities neigde naar ernstig, in het bijzonder in contrast met het eerder lichtzinnig karakter van het werk van de oudere generatie madrigalisten zoals Jakob Arcadelt en Philippe Verdelot. De Rore behoorde dan ook tot de generatie madrigalisten van Adriaan Willaert, Andrea Gabrieli, Lassus, Philippus de Monte en Palestrina.

Giaches de Wert (1535-1596) (foto) componeerde op zijn beurt meer dan 230 madrigalen en andere seculiere werken, uitgegeven in 16 delen  (1558-1608). Qua stijl behoorden zijn madrigalen tot de meest ontwikkelde van zijn tijd en in de jaren 1580 was hij samen met Luzzasco Luzzaschi en Luca Marenzio, een van de leiders in de ontwikkeling van een nieuwe, expressieve, emotioneel intense stijl, een stijl die culmineerde in het werk van Monteverdi en Carlo Gesualdo. Hij neigde naar het gebruik van een homofone toonzetting in zijn madrigalen, maar als afwisseling verschenen ook polyfone passages. In zijn laatste werken, in de jaren 1590, begon hij te experimenteren met de nieuwe concertato-stijl, met gegroepeerde stemmen in dialoog. De Wert stond stilistisch tussen Cypriano de Rore en Claudio Monteverdi in.

Typisch voor zijn vroege werken was het gebruik van imitatio door Monteverdi, een algemene praktijk onder componisten uit de periode waarin materiaal van vroegere of hedendaagse componisten werd gebruikt als model voor hun eigen werk. Monteverdi bleef deze procedure zelfs gebruiken tot ver na zijn leerjaren. Monteverdi’s eerste vijftien dienstjaren in Mantua situeerden zich tussen de publicatie van het derde madrigaalboek in 1592 en het vierde en vijfde boek in 1603 en 1605. Tussen 1592 en 1603 leverde hij kleine bijdragen aan andere bloemlezingen. Hoeveel hij in deze periode componeerde, is een kwestie van vermoeden, maar verschillende van de madrigalen die hij in het vierde en vijfde boek publiceerde, werden gecomponeerd en uitgevoerd in de jaren 1590.

Het derde boek toont sterk de toegenomen invloed van de Wert, tegen die tijd Monteverdi’s directe superieur als maestro de capella in Mantua. Twee dichters domineren de collectie: Tasso, wiens lyrische poëzie een prominente rol had gespeeld in het tweede boek, maar hier wordt weergegeven door de meer epische, heroïsche verzen uit Gerusalemme liberata, en Giovanni Battista Guarini (foto), wiens verzen sporadisch verschenen in eerdere publicaties van Monteverdi , maar ongeveer de helft vormen van de inhoud van het derde boek. De invloed van de Wert wordt weerspiegeld in de ronduit moderne expressieve en chromatische toonzetting van Tasso’s verzen.  “Stracciami pur il core” is een voorbeeld van Monteverdi’s onregelmatige dissonantiepraktijk.  Tasso en Guarini waren beiden regelmatige bezoekers van het Mantuaans hof. Monteverdi’s associatie met hen en de invloed van hun ideeën, hebben mogelijk de basis gelegd voor zijn eigen benadering van de muziekdrama’s die hij tien jaar later zou componeren.

Naarmate de jaren 1590 vorderden, kwam Monteverdi dichter bij de vorm die hij zou aanduiden als de seconda pratica. “Ohimè, se tanto amate”, gepubliceerd in het vierde boek, maar gecomponeerd vóór 1600, was een typisch voorbeeld van de ontwikkelende vindingrijkheid van de componist. In dit madrigaal week Monteverdi opnieuw af van de gevestigde praktijk in het gebruik van dissonantie, door vocale ornamentiek.

Het vierde boek bevat madrigalen die nog stevig verankerd waren in de 16e eeuw. Naast Tasso en Guarini, zette Monteverdi verzen van Rinuccini, Maurizio Moro (“Sì ch’io vorrei morire”) en Ridolfo Arlotti (“Luci serene e chiare”) op muziek Er zijn aanwijzingen dat de componist bekend was met de werken van Carlo Gesualdo en met componisten van de school van Ferrara zoals Luzzaschi. Het boek was trouwens opgedragen aan de Accademici Intrepidi, een muziekvereniging in Ferrara.

In het vijfde boek keek Monteverdi meer naar de toekomst. Hij gebruikte bijvoorbeeld reeds de concertato-stijl met basso continuo dat een typisch kenmerk zou worden van het baroktijdperk, en nam in het slotstuk zelfs een sinfonia (instrumentaal intermezzo) op. Hij presenteerde zijn muziek via een complex contrapunt en gewaagde harmonieën, hoewel hij soms de expressieve mogelijkheden van de nieuwe muziek nog combineerde met traditionele polyfonie.

Tijdens zijn jaren in Venetië publiceerde Monteverdi zijn zesde (1614), zevende (1619) en achtste (1638) boek met madrigalen. Het zesde boek bestaat uit werken die zijn geschreven voor de componist uit Mantua vertrok.  Het was een overgangswerk, dat Monteverdi’s laatste madrigale composities op de manier van de prima pratica bevatte, samen met muziek die typerend was voor de nieuwe, expressieve stijl die Monteverdi had getoond in de dramatische werken van 1607-1608. Het centraal thema van de collectie is verlies. Het bekendste werk is de vijfstemmige versie van het “Lamento d’Arianna”, een combinatie van een monodisch recitatief en contrapunt.  Het boek bevat Monteverdi’s eerste zettingen van verzen van Giambattista Marino, en twee zettingen van Petrarca, de twee meest bijzondere stukken in het boek met verbluffende muzikale momenten.

Terwijl Monteverdi (foto) in het zesde boek, stilistisch achteruit had gekeken, evolueerde in het zevende boek, het traditioneel concept van het madrigaal en van de monodie, ten gunste van kamerduetten. Er zijn uitzonderingen, zoals de twee solo lettere amorose (liefdesbrieven) “Se i languidi miei sguardi” en “Se pur destina e vole”, geschreven om zowel rapresentativo te worden uitgevoerd als gezongen. Tot de duetten die de belangrijkste kenmerken van het volume zijn, behoort “Ohimé, dov’è il mio ben, dov’è il mio core”, een romanesca waarin twee hoge stemmen dissonanties uitdrukken boven een repetitief baspatroon.  Het boek bevat daarenboven ook grootschalige ensemblewerken en het ballet “Tirsi e Clori”.  Dit was het hoogtepunt van Monteverdi’s “Marino-periode”. Zes van de stukken in het boek zijn nl. toonzettingen van verzen van die dichter.  

Het achtste boek, met de ondertitel Madrigali guerrieri, et amorosi … (“Madrigalen van oorlog en liefde”) is gestructureerd in twee symmetrische helften, één voor “oorlog” en één voor “liefde”. Elke helft begint met een zesstemmige zetting, gevolgd door een even grootschalige Petrarca-toonzetting, en een reeks duetten voornamelijk voor tenorstemmen, en eindigt met een theatraal nummer en een laatste ballet.  De “oorlogshelft” bevat verschillende items die zijn geschreven als eerbetoon aan keizer Ferdinand III, die in 1637 op de Habsburgse troon kwam.  Veel bekende dichters van Monteverdi, Strozzi, Rinuccini, Tasso, Marino, Guarini, zijn er in vertegenwoordigd.

Het is moeilijk in te schatten wanneer veel van de stukken zijn gecomponeerd, hoewel het ballet “Mascherata dell ‘ingrate” dat het boek beëindigt, dateert uit 1608. “Combattimento di Tancredi e Clorinda”, het middelpunt van de werken, geïnspireerd door oorlog, was gecomponeerd en uitgevoerd in Venetië in 1624.  Bij zijn publicatie koppelde Monteverdi het achtste boek aan zijn concept van concitato genera of stile concitato, en gebruikte voor het eerst pizzicato-spel, evocaties van fanfares en andere oorlogsgeluiden.Niet te missen!

Monteverdi complete Madrigals Delitiae Musicae Marco Longhini 15 cd Naxos 8.501505

http://www.stretto.be/2017/06/03/madrigalen-van-monteverdi/