Ontdek charmante tot bijzonder mooie muziek voor cello van David Popper, door Martin Rummel en Maria Kliegel, op het label Naxos.

Als componist wordt de cellist David Popper (1843-1913) herinnerd door zijn composities voor cello. Deze omvatten de hier opgenomen vier concerti, die nu nog maar zelden worden gespeeld, en, iets beter bekend, een aantal salonstukken. U kan de werken op twee bijzondere Naxos cd’s ontdekken. 

De naam van David Popper is door zijn “Hohe Schule des Violoncellospiels”, bekend uitsluitend bij cellisten. Misschien kent u zijn “Hongaarse Rapsodie” en één of twee andere van zijn stukken, die meestal enkel worden uitgevoerd op cello en piano. De bijzondere Naxos cd van celliste Maria Kliegel, met negen verschillende composities, toont Popper als een begaafde romantische melodicus en een ervaren orkestrator. Popper was eigenlijk bijna de Rostropovich van de 19de eeuw en hij componeerde deze werken om zijn eigen virtuoos talent te laten horen.

De joodse cellist David Popper werd geboren in 1843 in Praag, als zoon van de Praagse Cantor. Hij studeerde daar cello bij de Hamburgse cellist Julius Goltermann. Via Liszts toenmalige schoonzoon, de pianist en dirigent Hans von Bülow, werd Popper in 1863 aanbevolen voor de positie van cellist bij de “fürstlich Hechingen’schen Kapelle”, aan het hof van prins Friedrich Wilhelm Konstantin von Hohenzollern, die een nieuwe residentie met een concertzaal had gebouwd in Löwenberg in Silezië. Het muzikaal establishment werd daar echter ontbonden in 1869, na het overlijden van de prins.

In 1867 had Popper ondertussen zijn debuut gemaakt in Wenen. Het jaar daarop werd hij benoemd tot eerste cellist bij de Hofopera, en werd ook een tijd cellist van het befaamd “Hellmesberger Quartet”. In 1872 trouwde hij met Liszts leerlinge, Sophie Menter, de Hofpianiste van Konstantin von Hohenzollern-Hechingen, beschreven door Liszt als zijn enige ‘legitieme dochter’ als pianiste. Het jaar daarop verlieten Popper en Menter Wenen, om deel te nemen aan een reeks concerttournees door heel Europa. In 1882 ondernam Popper een tournee door Spanje en Portugal met de Franse violist Emil Sauret. Zijn huwelijk werd echter in 1886 ontbonden. Sophie Menter werd k.k. Kammervirtuosin en lerares aan het conservatorium in Sint-Petersburg, en ging in haar sprookjesachtig Schloss Itter (foto) in het Brixental in Tirol wonen.

In 1896 vestigde Popper zich in Boedapest om er les te geven aan het conservatorium dat Liszt daar had opgericht, en was er ook lange tijd cellist van het befaamd Strijkkwartet onder leiding van Jenö Hubay, die zijn vader in 1886 als hoogleraar viool, was opgevolgd. In hetzelfde jaar speelde Popper, samen met Hubay en Brahms, in een uitvoering in Budapest van het Pianotrio in do klein van Brahms. Popper overleed in 1913 in Baden bei Wien.

De veelgeprezen, Oostenrijkse cellist, Martin Rummel (foto), werd geprezen voor zijn opname van cellosonates van Ferdinand Ries. Voor zijn nieuwste Naxos-opname wordt Rummel vergezeld door het Czech Chamber Philharmonic Orchestra (Slovenská filharmónia) en de Nieuw-Zeelandse dirigent, Tecwyn Evans (°1971), met wie hij Poppers Celloconcerti nrs. 1-3 uitvoert. De Japanse pianiste Mari Kato (foto) begeleidt hem in het Celloconcert nr. 4, opgedragen “Aan mijn geweldige collega, Alfredo Piatti”, in de versie voor cello en piano. Popper speelde kamerwerken van Brahms in première en verdedigde Schumanns nog steeds te weinig gespeeld Celloconcerto. Zijn eigen vier concerti omvatten chronologisch zijn illustere 50-jarige carrière. Elk concerto deelde een lyrische, romantische geest, van het speels Eerste Concerto, met zijn aangenaam zachte inleiding tot het bijzonder, lyrisch, meer dramatisch en virtuoos tweede, en het eendelig derde, een meesterwerk in melodische compactheid.

Na klavecimbel- en pianolessen bij Helga Schiff-Riemann (1924-2004), kleindochter van Hugo Riemann, uit Leipzig, begon Martin Rummel (°1974) uit Linz, in 1982, cello te studeren bij Wilfried Tachezi, broer van de befaamde klavecinist Herbert Tachezi (1930-2016), die begeleider was van Nikolaus Harnoncourt, aan wat vandaag de “Anton Bruckner Privatuniversität für Musik, Schauspiel und Tanz” (“Bruckneruni”) is. Tegelijkertijd studeerde hij klavecimbel bij August Humer, professor orgel, klavecimbel, historische Tasteninstrumente en Kamermuziek, aan de Anton Bruckner Privatuniversität in inz, en Domorganist van het Brucknerorgel in de Alten Dom in Linz. In 1991 behaalde Rummel als de jongste afgestudeerde in de geschiedenis van de instelling, zijn diploma als concertcellist met de hoogste cijfers. Na een paar privélessen van Robert Cohen in Londen, studeerde hij daar bij William Pleeth.

In de tweede helft van de jaren negentig studeerde hij ook bij Maria Kliegel (foto)aan de Musikhochschule in Keulen en behaalde er een diploma met onderscheiding en het “Konzertexamen”. Vervolgens keerde Rummel terug naar William Pleeth in Londen, wiens laatste leerling hij werd. Sinds ca. 1990 is Rummel internationaal actief als solist en kamermusicus. Concerten hebben hem tot nu toe geleid door heel Europa, Azië, Oceanië en de VS. De laatste jaren speelde hij in het Konzerthaus en in de Musikverein in Wenen, in het Brucknerhaus in Linz, de Tonhalle in Düsseldorf, het “Krannert Center for the Performing Arts” in Urbana (University of Illinois/Urbana-Champaign. Herman C. Krannert), de “Carinthischer Sommer”, het “Varna Summer- International Music Festival” in Bulgarije, en op de Biënnale van Venetië.

Op de cd van Maria Kliegel (°1952), zelf ex leerlinge van Janos Starker, staan “Im Walde”, op. 50 (arr. P. Breiner), “Wie einst in schoner’n Tagen” (“Once in Fairer Days”), op. 64, nr. 1, Gavotte, op. 67, nr. 2, Characterstücke, op. 3, nr. 4, Papillon op. 3, nr. 4 (arr. P. Breiner), Requiem voor drie celli, op. 66 (met Caroline Stinson en Johann Ludwig), Serenade, op. 54, nr. 1, Vito (Spanish Dance), op. 54, nr. 5 (arr. P. Breiner), Wiegenlied, op. 64, nr. 3, Spinnlied (Spinning Son), op. 55, nr. 1 (arr. P. Breiner), en Ungarische Rhapsodie, op. 68.

De “Suite Im Walde” is een kleurrijke reeks pastorale scènes, afgewisseld met een donkere “Gnomentanz” en een Strauss-achtige wals. De Hongaarse Rapsodie is verschenen op meerdere cello-recital cd’s, maar de enige, beschikbare versies met orkest, waren een vroege Rostropovich-opname en een nog oudere opname met de legendarische, joodse cellist, Emannuel Feuermann (1902-1942).

De rest van de stukken varieert van het lyrisch, melancholisch “Wie einst in schoner’n Tagen” (“Once in Fairer Days”) tot de glinsterend virtuoze “Spinning Song”. Interessant is ook het Requiem voor drie celli en orkest, wederom, eerder enkel beschikbaar met enkel pianobegeleiding. De twee ex leerlingen van Maria Kliegel, de Canadese celliste, Caroline Stinson (Ciompi Quartet), en de Duitse cellist, Johann Ludwig (Solocellist van de Badischen Staatskapelle Karlsruhe), zijn bewonderenswaardige partners, de Nicolaus Esterházy Sinfonia speelt heel goed en Gerhard Markson is een gevoelige dirigent. Maria Kliegel bespeelt daarenboven een Stradivarius cello, bekend als de “ex-Gendron”, omdat hij ooit behoorde tot de fenomenale, Franse cellist, Maurice Gendron. Bijzonder mooie muziek. Twee heel mooie cd’s. Warm aanbevolen.

Popper Complete Cello Concertos Martin Rummel Mari Kato Czech Chamber Philharmonic Orchestra Pardubice Tecwyn Evans cd Naxos 8573930

David Popper Romantic Cello Showpieces Maria Kliegel Nicolaus Esterhazy Sinfonia Gerhard Markson Naxos 8554657