Bachs “Die Kunst der Fuge, BWV 1080 (Mus. ms. Bach P 200)” op viool, gamba’s en orgel, door Accademia Strumentale Italiana en Alberto Rasi, op het label Challenge Classics.

Bachs “Die Kunst der Fuga” is het laatste compleet meesterwerk, vermoedelijk gecomponeerd tussen 1740 en 1742. Gebaseerd op het meest recent musicologisch onderzoek, presenteert deze opname een heel nieuwe benadering. De opname neemt nl. het manuscript van J.S. Bach als enige en uniek geldige bron en de keuze van de gebruikte instrumenten, gamba consort, viool en orgel, past perfect in de historische praktijk.

Bach componeerde tussen 1742 en 1750, tijdens de laatste acht à negen jaar van zijn leven, gecompliceerde contrapuntwerken, de Goldbergvariaties (1742), het Musicalisches Opfer (1747), de Canonischen Veränderungen über Von Himmel Hoch (1747) en Die Kunst der Fuge (1745-1749). Bachs “Die kunst der Fuga” is, door de grote verscheidenheid aan thematisch materiaal, even intiem in uitvoering als wetenschappelijk van aard. Het was de samenvatting van de glorieuze tradities van zowel compositietechniek als uitvoeringspraktijk.

“Die Kunst der Fuge” was zowel het contrapuntisch opus magnum van Johann Sebastian Bach als zijn laatst compleet en voltooid werk. Het werd vermoedelijk gecomponeerd tussen 1745 en 1749. Volgens het titelblad luidde de oorspronkelijke titel eigenlijk, “Die Kunst der fuga”, met gebruik van het Latijns of Italiaans woord fuga i.p.v. het Duits woord, “Fuge”, zoals in de twee gedrukte edities van 1751 en 1752. Voor de wetenschappelijke benadering van Bach is dit detail belangrijk voor Bach en de numerologie. Gematria, een vorm van numerologie, is nl. een geheime leer die woorden in getallen omzet om daarmee verborgen verbanden te ontdekken.

In de “Gematria Bachiana” speelt het getal 14 een belangrijke rol. De optelling van de cijfers die corresponderen met de letters B-A-C-H  (2-1-3-8) in de volgorde van het alfabet), maakt samen 14. De letters J-S-B-A-C-H (9-18-2-1-3-8), vormen samen 41, het spiegelbeeld van 14. De letters van Bachs volledige naam, J-O-H-A-N-N-S-E-B-A-S-T-I-A-N-B-A-C-H, zijn de nummers 9-14-8-1-13-13-18-5-2-1-18-19-9-1-13-2-1-3-8 in het alfabet. De optelling van deze cijfers levert, 158 op. De alfabetische volgorde van de 15 letters van D-I-E-K-U-N-S-T-D-E-R-F-U-G-A, met de a i.p.v. de e in “Fuga”, corresponderen met de cijfers (4-9-5-10-20-13-18-19-4-5-17-6-20-7-1). De som van deze 15 cijfers is, 158. De som van de afzonderlijke cijfers van het getal 158, 1, 5 en 8=14. Dit is het getal dat overeenstemt met de som van de cijfers van de vier letters, BACH, (2-1-3 en 8) = 14.

“Die Kunst der Fuga” (KdF), in de vorm en de volgorde in het Berlijns handschrift, heeft alles van een voltooid werk. Het bevat 14 fuga’s en canons, alle gebaseerd op een enkel, origineel thema, als basis van het ganse werk, waarbij de contrapuntische perfectie van de individuele stukken, toenemen qua moeilijkheidsgraad. De enkelvoudige fuga’s (simplex rectus), contrafuga’s, fuga’s met meer thema’s (a tre en a quattro soggetti), spiegelfuga’s (inversus) en de 2 canons, zijn in de gedrukte versie met de gebruikelijke Latijnse en Italiaanse namen aangeduid, per Augmentationem (in contrario motu) en Dimininutionem (met het thema in verdubbelde en gehalveerde nootwaarden), in contrario motu (in tegengestelde beweging), contrappunto simplice inversus en contrappunto duplici (rectus en inversus) (omgekeerd in spiegelbeeld), en in Fuga en Canon alla Ottava, alla Decima of Duodecima, waarbij de volgende stem een octaaf plus decime of duodecime inzet.

Bachs zoon Carl Philipp Emanuel schreef na het overlijden van zijn vader in het manuscript bij de laatste fuga “Über dieser Fuge, wo der Nahme B.A.C.H. im Contrasubject angebracht worden, ist der Verfasser gestorben.” In 1751 werd het werk postuum gepubliceerd met een heruitgave in 1752 met een uitgebreide inleiding van Friedrich Wilhelm Marpurg (1718-1795). Ook Marpurg vermeldde de plotselinge dood als oorzaak van het niet afronden van het werk. De vraag is of het onvoltooid werk door overmacht niet is afgerond of dat het onvoltooid is overgeleverd, mede doordat het zowel na Bachs dood uit de nagelaten manuscripten en gecorrigeerde delen moest worden samengevoegd en is gerangschikt door drukkers. Volgens Christoph Wolff waren er goede argumenten om te betogen dat Bach het werk, al dan niet in schetsvorm, wel degelijk heeft afgerond.

Ondanks dat het feit dat het handschrift, één van de 4 bestaande, Berlijnse handschriften in de Staatsbibliotheek in Berlijn, (het “Hauptautograph” en 3 losse bladzijden met een canon en contrapunctus 13 en 14, als bijlagen), al bestudeerd en samengevoegd was met de edities van 1751 en 1752, werd het handschrift als onvolledig beschouwd, als niet veel meer dan een voorbereidende fase. Pas de laatste tijd begonnen onderzoekers, onder wie Christoph Wolff, op te merken dat de KdF zoals het manuscript op het moment van voltooiing, wellicht een vergelijking zou kunnen doorstaan met de vermeende ‘definitieve versie’ van de gedrukte edities, en dus mogelijk verheven zou kunnen worden tot de volledige waardigheid van een “Alte Fassung”.

Dit zou betekenen dat het Berlijns handschrift in feite de nieuwste en dichtst bij de definitieve versie van de KdF zou zijn, terwijl de eerste gedrukte editie volledig het resultaat was van de gezamenlijke inspanningen van Bachs kinderen en studenten, daar er geen bewijs is dat Bach ooit betrokken was bij voorbereidende werken met betrekking tot zijn composities. Bovendien lijkt de volgorde die wordt weergegeven in het Berlijns handschrift, beslist logischer en zelfs artistieker dan die van de eerste gedrukte editie, die in vergelijking, minder interessant lijkt en niet zonder compilatiefouten.

Alberto Rasi studeerde eerst contrabas en compositie en vervolgens viola da gamba en violone aan de Schola Cantorum in Bazel bij Jordi Savall en aan het Conservatoire de Génève bij Ariane Maurette. In 1991 werd hij artistiek directeur van Accademia Strumentale Italiana en nam verschillende cd’s op voor het Milanees Stradivarius-label en diverse andere cd-labels die verschillende prijzen wonnen, waaronder Diapason d’Or, 10 de Repertoire en de Midem Classical Award 2007 in de categorie Oude muziek. Momenteel doceert hij viola da gamba en barokorkest aan het Conservatorium van Verona. In 1999 richtte hij in Verona het barokorkest, Il Tempio Armonico, op dat hij leidt van aan de cello.

De organist, klavecinist, dirigent en musicoloog, Luca Guglielmi (° 1977) uit Turijn, studeerde aan het Conservatorium van Turijn onder Alessandro Ruo Rui en staat bekend om zijn historisch geïnformeerde interpretaties van muziek uit alle periodes, zijn breed repertoire en zijn sterke inzet voor de studie en toepassing van fenomenologie van muziek. Hij heeft een grote passie voor het integreren van de historische stijl uit de traditionele orkestwereld en het creëren van onderscheidende en dynamische programma’s.

Accademia Strumentale Italiana, Alberto Rasi en Luca Guglielmi, winnaars van een aantal prijzen voor hun eerdere opnames, behoren tot de meest ervaren en gewaardeerde barokmusici. Het ensemble weerspiegelt de magie van Bachs meesterwerk. Hun uitvoering is meer dan een louter speculatief of theoretisch werk. Na opnamen door Strijkkwartet is de uitvoering op 16de-eeuwse strijkinstrumenten uit de gambafamilie, net zoals de eerdere opnamen op gamba door Phantasm met Laurence Dreyfus (1998), Fretwork (2002) en Vittorio Ghielmi en “Il Suonar Parlante” (2009), trouw aan de geest van de renaissance en de baroktraditie. De combinatie van viool en gamba lijkt overigens verbluffend veel op de klank van het orgel. Het gamba-consort is hét instrument bij uitstek vanwege zijn vermogen om zelfs de meest complexe polyfonie, transparant te maken.

Trouw aan de geest van de musica prattica, past het uitvoeren van polyfoon klavierrepertoire door instrumentale ensembles in een geconsolideerde traditie die zijn wortels vindt in een rijk gedocumenteerde praktijk die teruggaat tot de 16de eeuw. De keuze om de viool (een viola da braccio) te combineren met leden van de gamba-familie, past trouwens perfect binnen de Duitse muziektraditie.

De 6 uitvoerders zijn Rossella Croce, viool, Alberto Rasi, sopraangamba (Dessus of treble viol), Claudia Pasetto, tenorgamba, Paolo Biordi, basgamba, Luca Guglielmi, orgel en Michele Zeoli, violone. In het bijbehorend boekje leest u een heel uitgebreide en uitzonderlijk interessante tekst van Luca Guglielmi. Dit is een uitermate professionele benadering van één van de grootste, muzikale verwezenlijkingen van het menselijk brein. Dit is de combinatie van contemplatie, bezinning en rekenkundig inzicht. Dit is een schitterende cd die u geenszins mag missen!

Johann Sebastian Bach Die Kunst der Fuge – BWV 1080 (Mus. ms. Bach P 200) Accademia Strumentale Italiana Alberto Rasi cd Challenge Classics CC 72842