Ralph van Raat speelt Le Sacre du Printemps en La Mer voor het label Naxos op piano. Fantastisch!

Vanaf 1907 begon Nicholas Roerich decors en kostuums voor opera’s en balletten te ontwerpen, zoals voor “Het Sneeuwmeisje” van Rimski-Korsakov, “Prins Igor” van Borodin, “Tristan en Isolde” van Wagner, “Zuster Beatrijs” van Maurice Maeterlinck en voor…”Le Sacre du Printemps”.

De uiterst complexe, ritmische partituur (Stravinsky zelf sprak over voorjaarsritme) en het primitief scenario, scènes uit het heidens Rusland, schokten het publiek. De choreografie van Nijinsky betekende een radicale breuk met het (klassiek) ballet. De bevallige lijnen van het traditioneel ballet waren weg. Geen pantomimes meer, geen enkele jeté, pirouette of arabesque meer. Armen en benen werden nu hoekig gebogen en voeten werden naar binnen gedraaid. De dansers dansten meer vanuit hun bekken dan met hun voeten (cfr. Martha Graham). Stravinsky noteerde later in zijn autobiografie: “De arme jongen kende niets van muziek, Nijinsky was opgezadeld met een taak boven zijn capaciteit.” Terwijl Stravinsky het danstalent van Nijinsky prees, was hij gefrustreerd door hem als choreograaf. De complexe muziek, het springen en stampen, en de heftige dansstappen die vruchtbaarheidsriten uitbeeldden, ontlokten boegeroep en gefluit van de menigte.

Reeds van bij het begin met de openings-fagotsolo, kwam hoongelach uit het publiek, wegens de scherpe dissonanten in het samenspel van de houtblazers. Er kwam tumult en het publiek geraakte verdeeld tussen verdedigers en tegenstanders die spraken over Hottentottenmuziek. Dit werd gevolgd door een kabaal van geschreeuw en vuistslagen. De onrust in het publiek ontaardde in een ware rel. De politie van Parijs kwam erbij maar kon slechts beperkt de orde herstellen door een veertigtal toeschouwers uit de zaal te verwijderen. De chaos regeerde de rest van de voorstelling. Stravinsky zat op fauteuil nr. 111 op de vierde rij (dit voor wanneer u reserveert…) maar was zo ontdaan door de reactie van het publiek, dat hij huilend wegvluchtte. Hij liep weg achter de coulissen waar Diaghilev de lichten aan en uit deed in een poging om het publiek te kalmeren. Nijinsky stond op een stoel zodanig dat Stravinsky hem bij de staart van zijn habijt moest vasthouden en schreeuwde cijfers voor de maat en de danspassen naar de dansers, die het orkest door het herrie schoppend publiek niet konden horen. De dag na de première stond er in de krant “Ce n’est pas le sacre du printemps, mais le massacre du tympan (trommelvlies)”.

De oorsprong van Le Sacre du Printemps lag in de oude Slavische cultuur. Het gegeven van het etnografisch ballet kwam van Roerich die een groot kenner was van de primitieve Slavische culturen. Stravinsky en Roerich werkten het gegeven uit tijdens de zomer van 1910 in het paradijselijke La Baule en schreven vervolgens het scenario in een paar dagen tijd in de villa van Prinses Tenisjeva in Talachkino nabij Smolensk. In Talachkino leidde Roerich nl. een kunstenaarskolonie. Stravinsky was naar Talachkino gereisd in een goederentrein en zat in een wagon samen met een…stier. Op de terugreis ontmoette Stravinsky Diaghilev in Karlsbad die omwille van de gelijkenis van het gegeven met het primitivisme van zijn lievelingsschilder Paul Gauguin, erg te vinden was voor het project van Le Sacre. Stravinsky componeerde de inleiding en de “Augures printaniers” in Oestiloeg in de Oekraïne en componeerde vervolgens de rest van Le Sacre in het pension “Les Tilleuls” en in het hotel Chatelard in het schilderachtige Clarens nabij Montreux, aan het Meer van Genève. In Clarens had Tsjaikofski in 1878 zijn wondermooi Vioolconcerto gecomponeerd.

Op 17 november 1912 voltooide Stravinsky in Vevey, lijdend aan tandpijn, de “Danse sacrale”. Op 8 maart 1913 was de volledige compositie voltooid. Stravinsky realiseerde een versie voor vierhandig piano aan de hand waarvan men de repetities leidde. De orkestpartituur werd pas in 1921 uitgegeven. Boris de Schloezer (1881-1969), de schoonbroer van Skrjabin, die Tolstoï en Gogol vertaalde in het Frans, en kenner was van Bach en de joods-Russische filosoof Sjestov, hebben veel betekend voor de kennis en de erkenning van Le Sacre. Ook de Frans-joodse etnomusicoloog André Schaeffner (1895-1980) heeft veel bijgedragen tot beter begrip van Le Sacre. Le Sacre du Printemps was immers zowel qua muziek als qua choreografie een onconventioneel “ballet”. De compositie was in tegenstelling tot de westerse traditie tot dan toe, gebaseerd op een helse, ritmische complexiteit en was een eruptie van klanken.

Stravinsky kwam op het idee voor Le Sacre in 1910, tijdens het componeren van “Vuurvogel”. Hij had naar eigen zeggen een visioen van een heidens ritueel waarin een jong meisje zich dood danste. Stravinsky noteerde schetsen en ideeën met de hulp van de archeoloog en folklorist Nikolai Roerich die in 1909 de decors had ontworpen voor de Polovtiaanse Dansen van Borodin van de Ballets Russes. Stravinsky schreef later dat de vertaling in het Engels i.p.v. “The Rite of Spring”, “The Coronation of Spring” beter zou zijn. De Engelse titel van de compositie dateert uit 1921 toen de Ballets Russes Le Sacre brachten in Londen. De choreografie was in Londen van Leonid Massine. De oorspronkelijke titel “Le Sacre du Printemps” werd bedacht door Léon Bakst, de geniale ontwerper van de decors en kostuums van de eerste uitvoeringen van de Ballets Russes (foto).

Le Sacre du Printemps (“Vesna svjastjennaja”) was één van de meest revolutionaire composities van de 20ste eeuw. De ophefmakende première vond plaats op 29 mei 1913 in het Théâtre des Champs-Elysées te Parijs. De jonge Pierre Monteux (1875-1964) dirigeerde. Het ballet geeft de prehistorische, pre-Slavische wereld weer van een heidense offerceremonie tijdens de Heilige nacht van de oude Slaven. Een jonge maagd is uitverkoren om zich dood te dansen, als offer aan de Lente zonnegod. Het tweedelige ballet over dat heidens ritueel, waarbij een meisje wordt uitgekozen en geofferd om de lente af te dwingen, was voor Stravinsky dé gelegenheid om een totaal nieuw soort muziek te componeren.

Stravinsky en Roerich haalden het gegeven voor “Les Augures printaniers” (uit het eerste deel) en “Glorification de l’Elue” (uit het tweede deel) uit het vierde boek Melpomene van de Historiën (in totaal negen boeken) van Herodotos (ca. 485 v.Chr.-tussen 425/420 v.Chr.). De Historiën gaan over de gewelddadige confrontatie tussen de Barbaroi en de Grieken. In het vierde boek beschreef de geschiedschrijver nl. de expeditie die Darius ondernam tegen de Scythen en geeft hij een uitvoerige uiteenzetting over de oorsprong van het Scythische volk, zijn levenswijze en de geografische gesteldheid van de Scythen hun land. In “Glorification de l’Elue” krijgen we de wilde dans van de Amazonen. De voorouders van de Sarmaten, die zich vestigden aan de Don (Tanais), die uitmondt in de Zee van Azov aan de Krim, waren Amazonen en Scythen.

Daarnaast putten Stravinsky en Roerich uit “De poëtisch kijk op de natuur van de Slaven” (Poèticheskiye vozzreniya slavyan na prirodu) uit 1865-1869, van Alexander Nikolajevich Afanasjev (1826-1871). Afanasjev was ook de auteur van Narodnye russkie skazki (acht volumes Russische sprookjes), samengesteld tussen 1855 en 1863, waaruit de architect, beeldhouwer en kunstschilder Victor Hartman (1834-1873) en componist Moessorgski, verhalen haalden voor hun Schilderijententoonstelling (Kartínki s výstavki – Vospominániye o Víktore Gártmane).

Debussy voltooide “La mer, trois esquisses symphoniques pour orchestre” in 1905 na er twee jaar aan gewerkt te hebben. Naast een versie voor orkest maakte hij ook een versie voor twee piano’s. In 1908-1909 bewerkte Debussy het werk nogmaals. De subtitel drie symfonische schetsen voor orkest refereerde aan de symfonie, maar een strikte symfonie is het niet. Toch heeft het werk symfonische kenmerken. Het thema dat in de opening wordt neergezet komt in alle drie de delen terug en wordt in deel 3 als aankondiging van het slot van de compositie gebruikt. Het werk wordt daarom ook wel als symfonie of symfonisch gedicht bestempeld.

Debussy componeerde La Mer, beïnvloed door zijn intense ervaringen in de zomer van 1904, in Jersey en in Dieppe, met zijn grote, nieuwe geliefde, Emma bardac,  Hij had haar via haar zoon Raoul, die een leerling was van hem, eind 1903 leren kennen. De titel verwijst bijgevolg niet enkele naar de zee, maar naar de achter het Frans woord voor zee, verstopte betekenis van “moeder”, moeder van…. De natuurverschijnselen die hij in zijn drie symfonisch schetsen evoceert, verklanken en exprimeren zijn liefdeservaringen met Emma. Debussy begon aan het werk grotendeels in  Villeneuve-la-Guyard in Bourgondië. Hij voltooide zijn meesterwerk weliswaar in Eastbourne (foto) in Engeland, dat wel degelijk aan de zee ligt. De première in 1905 in Parijs door het Orchestre Lamoureux o.l.v. Camille Chevillard was echter geen succes.

Zowel La Mer van Debussy als Le Sacre du printemps van zijn vriend Stravinsky, worden nu meer dan terecht beschouwd als twee van de invloedrijkste composities van de 20steeeuw. Het berucht, aartsmoeilijk piano arrangement van Stravinsky’s eigen piano duetversie door de Russische pianist Vladimir Leyetchkiss (1934-2016) (foto) werd door de componist goedgekeurd.

Pianist Vladimir Leyetchkiss, één van de laatste leerlingen van de legendarische Heinrich Neuhaus aan het Conservatorium van Moskou, emigreerde in 1974 naar de Verenigde Staten. Hij staat bekend als concertpianist, leraar en transcribent, gespecialiseerd in Russische en Romantische muziek. Hij is verschillende keren op tournee geweest in Europa en was jurylid bij veel pianowedstrijden. Zijn opnamen voor Orion, Centaur en Classic Digital omvatten o.a. Beethovens “Diabelli-variaties” en zijn Sonate Op. 109, “Russian Virtuoso Piano Music”, “Great Piano Transcriptions”, “Taneyev and Scriabin”, “My Favourite Tchaikovsky”. Zijn transcriptie voor piano solo van Stravinsky’s “Le Sace du printemps”, werd gepubliceerd in Moskou en in New York.

De solo-pianoversie van La Mer van Lucien Garban (1877-1959) (foto) herinterpreteert het werk vanuit het perspectief van Debussy’s versie voor twee piano’s, met werken als bv. “Images” uit dezelfde periode, als model. Lucien Garban studeerde aan het Conservatoire de Paris bij Gabriel Fauré en was tot 1959 muzikaal directeur van de uitgeverij Durand. Rond 1900 sloot Garban zich, samen met Maurice Ravel en een aantal jonge kunstenaars, dichters, critici en muzikanten, aan bij een informele groep die bekend werd als “Les Apaches” (kan u vertalen als “Hooligans” van vandaag…), een naam die werd bedacht door Ricardo Viñes om hun status te vertegenwoordigen als artistieke outcasts. Garbans transcripties van muziek voor piano solo of piano vierhandig omvatten o.a. het Strijkkwartet, “Introduction et Allegro”, de “Rapsodie espagnole”, “Valses nobles et sentimentales”, “Ma mère l’Oye”, het Trio voor piano, viool en cello, “Kaddisch” uit “Deux mélodies hébraïques”, “Le tombeau de Couperin”, “Berceuse sur le nom de Gabriel Fauré”, “Boléro” en “L’enfant et les sortilèges” van Ravel. Hij wordt overigens gecrediteerd als de orkestrator van de originele versie van “L’enfant et les sortilèges”. Van Ravels “La Valse” realiseerde hij een vierhandige pianoversie. Andere Garban-transcripties waren bvb. nog “L’apprenti sorcier” van Paul Dukas en “Le Carnaval des animaux” van Saint-Saëns voor piano solo.

De sublieme arrangementen op deze cd zijn arrangementen die de rijkdom van de oorspronkelijke partituren nog eens extra doorzichtigheid geven, en die de geniale harmonische, motivische en ritmische vondsten, nog eens duidelijk en extra profileren. Bravo met deze fenomenale prestatie, Ralph! Dit mag u als muziek minnende lezer geenszins missen!

De Nederlandse pianist en musicoloog Ralph van Raat is een gepassioneerd pleitbezorger van nieuw werk en heeft de premières van talloze werken van levende componisten uitgevoerd, waarvan sommige speciaal voor hem zijn gecomponeerd. Op een paar uitzonderingen na, voelt hij zich meer aangetrokken tot de muziek van postmodernistische en eclectische componisten in plaats van tot de meer cerebrale modernisten van het midden van de 20ste eeuw.

Van Raat werd in 1978 in Nederland geboren en studeerde piano en musicologie aan het Conservatorium van Amsterdam. Hij studeerde vervolgens bij Ursula Oppens en Pierre-Laurent Aimard, beiden gerenommeerde specialisten in het modern en hedendaags repertoire. Hij ontving talloze internationale onderscheidingen, waaronder de Stipend-prijs Darmstadt, de Gaudeamus vertolkerswedstrijd en een Borletti-Buitoni Fellowship.

Zijn repertoire omvat de complete solopiano-werken van Adams, Andriessen, Harvey, Lindberg, Takemitsu en Tavener, maar ook composities van minder bekende Nederlandse componisten als Theo Loevendie, Joep Franssens en Guus Janssen. Vier van zijn opnamen voor Naxos behoren tot de 20 best verkochte albums van het label. In 2009 bracht Naxos een boxed set uit van alle albums die hij voor het label had opgenomen.

Het orkestraal concertrepertoire van Van Raat concentreert zich ook bijna uitsluitend op moderne en hedendaagse muziek, met als enige uitzondering Debussy’s “Fantaisie pour piano et orchestre” uit 1890. Giel Vleggaar en Gavin Bryars hebben voor Van Raat concerti gecomponeerd, die hij beide heeft opgenomen. Hij speelde ook de première van Frederic Rzewski’s concerto “Hard Cuts”, ook geschreven voor hem. Orkesten waarmee hij speelde waren o.a. de BBC Symphony, de London Sinfonietta en het Royal Concertgebouw Orchestra.

Debussy La mer (arr. Lucien Garban) Stravinsky Le sacre du printemps (arr. Vladimir Leyetchkiss) Ralph van Raat cd Naxos 8573576

http://www.stretto.be/2020/05/30/french-piano-rarities-door-ralph-van-raat-op-het-label-naxos-bijzonder-verfijnd/