“whose heavenly touch”, intieme, melancholische ayres van John Dowland door Mariana Flores en Hopkinson Smith, op het label naïve.

De sopraan Mariana Flores en luitist Hopkinson Smith kozen voor een Dowland programma recht uit het hart, een programma gebaseerd op vijf van de volumes van de componist van ‘Songs or Ayres’ gedrukt in Londen tussen 1597 en 1612, waarbij de extatische en getormenteerde ziel van Dowland blootgelegd werd terwijl deze schommelde tussen verschillende staten van melancholie liefde.

“I saw my lady weep,

And Sorrow proud to be advanced so,

In those fair eyes where all perfections keep.

Her face was full of woe,

But such a woe believe me as wins more hearts,

Than Mirth can do with her enticing charms.”

Met de woorden “A pleasant melancholy” beschreef Robert Burton in 1621 in zijn “The Anatomy of Melancholy”, de gevoelens die bepaalde muziek kan oproepen. Ongeveer 20 jaar eerder had John Dowland (1563-1626), de melancholicus par excellence, een soortgelijk idee uitgedrukt in zijn “Lachrimae, or Seven Tears” (1607). Tijdens de periode 1600-1617 was melancholie in Engeland modieus geworden, vooral in culturele en literaire kringen. Er ontstonden talloze gedichten, schilderijen en liederen rond het thema. Toen Dowlands song met luitbegeleiding, “Flow My Tears” in 1600 werd gepubliceerd, was de instrumentale “Lachrimae” Pavane waarop het was gebaseerd, al enkele jaren in omloop en was de componist er mee bekend in Engeland en op het continent. Vier jaar later keerde hij naar de muziek terug en varieerde het als “seven tears” voor een consort van gamba’s en luit.

Met muzikale effecten als dissonantie en voorhoudingen, verschijnt eenzelfde melancholiek gevoel, nl. de verklanking van de pijnen van de ziel, nacht en duisternis, bijna overal in de verfijnde muziek van John Dowland. Het ‘traan’-motief – Lachrimae was in Dowlands tijd bekend als “Flow my tears” – verscheen voor het eerst in de “Lachrymae antiquae” voor luit solo –  en diende in 1604 als basis voor zeven gevoelige, vijfstemmige, instrumentale pavanes voor vijf gamba’s (viols) (“Lachrimæ Antiquæ”, “Lachrimæ Gementes”, “Lachrimæ Tristes”, “Lachrimæ Coactæ”, “Lachrimæ Pavan”, “Lachrimæ Amantis” en “Lachrimæ Veræ”). Naast de zeven Lachrimae pavanes, bevatte de oorspronkelijke uitgave nog 14 andere dansen.

De uitgave werd opgedragen aan Anna van Denemarken (foto), de gemalin van de latere Engelse koning James I met als opschrift “Aut Furit, aut Lachrimat, quem non Fortuna beavit” (“He whom Fortune has not blessed either rages or weeps”). Dowland was toen nl. als luitspeler in dienst van Christiaan IV, koning van Denemarken en Noorwegen. De liederen voor luit van John Dowland behoren tot zijn meest geliefde werken. Ze omvatten Elizabethaanse ideeën van liefde, verlies en de modieuze verwaandheid van poëtische melancholie, die tijdens de Renaissance werd gecultiveerd.

De dominante stemming van verdriet weerspiegeld in het persoonlijk motto van Dowland, “Semper Dowland, semper dolens” (altijd Dowland, altijd treurig), in klagende liederen als O sweet woods, I saw my lady weep, Now, O now I needs must part, Come, heavy sleep, en vooral, Flow my tears, die alle uitdrukking gaven aan de gestileerde liefdesdrift van de componist. Om de kunstzinnigheid van Dowlands specifieke soort melancholie over te brengen, doordringen sopraan Mariana Flores en luitist Hopkinson Smith hun uitvoeringen met een intimiteit en introspectie, puur en onaangetast. Smith vervult de rol van begeleider met bescheidenheid en eenvoud, hoewel zijn vaardigheden naar voren komen in zijn instrumentale solo’s, “Mignarda” en “Go crystal tears”.

Ayres voor luit werden voor het eerst geproduceerd aan het koninklijk hof van Engeland tegen het einde van de 16de eeuw en genoten tot de jaren 1620 een aanzienlijke populariteit. Waarschijnlijk gebaseerd op Italiaanse monodie en de Franse air de cour, waren het sololiederen, meestal in drie delen, begeleid op luit. Hun populariteit begon met de publicatie van John Dowlands (1563–1626) “First Booke of Songs of Ayres” (1597). Zijn beroemdste ayres waren “Come again”, “Flow, my tears”, “I saw my Lady weepe”, en “In darkness let me dwell”. Het genre werd verder ontwikkeld door Thomas Campion (1567–1620) wiens “Books of Airs” (1601) (samen geschreven met Philip Rosseter) meer dan 100 luitnummers bevatte en in de jaren 1610 wel vier keer werd herdrukt.  

De muziek wordt vaak omschreven als composities voor luit, maar dit is enigszins misleidend. Op de titelpagina werd Dowland correct omschreven als luitist van de koning van Denemarken en stonden opties met betrekking tot de te gebruiken instrumenten. Ook bood Dowland opties aan om te bepalen of zijn liederen voor een solozanger zijn of niet. Alle nummers in zijn First Booke van 1597 kunnen worden uitgevoerd in een vierdelige versie. Sommige van de nummers in het tweede boek kunnen in verschillende arrangementen worden gezongen, hoewel andere doorgecomponeerde solonummers zijn. Veel van de teksten zijn anoniem. Er is gespeculeerd dat Dowland enkele van zijn eigen teksten heeft geschreven.

Het eerste boek met 21 nummers uit 1597, werd gedrukt door Peter Short. Voor het tweede boek, opgedragen aan Lucy Russell, Countess of Bedford (foto) en bestaande uit 22 nummers, wendde Dowland zich tot George Eastland van Fleet Street, een obscure figuur die de familie Dowland leek te kennen, en de drukker, Thomas East. Er moest een vergoeding worden betaald aan Thomas Morley, die vanaf 1598 een monopolie op het drukken van muziek had. Eastland hoopte op een betere verkoop dan daadwerkelijk werd gerealiseerd. De First Booke was nl. een commercieel succes geweest en ging in verschillende edities, terwijl de Second Booke minder succesvol leek te zijn. In ieder geval werd deze niet herdrukt door Thomas East. Het bevatte weliswaar nummers die een van de bekendste zijn van de componist. Het manuscript werd geleverd door mevrouw Dowland, maar omdat Dowland in het buitenland woonde, kon hij geen contact onderhouden met de drukker en werden de drukproeven gelezen door twee collega-componisten die destijds in Londen waren, John Wilbye en Edward Johnson.

Tracklist :

All ye, whom Love or Fortune hath betray’d

Can she excuse my wrongs? (First Booke of Songes, 1597)

Come again, sweet love doth now invite

Come away, come, sweet love

Come heavy sleep

Fine knacks for ladies

Flow my teares (Lacrimæ)

Go Crystal tears

In darkness let me dwell

Mignarda

Now, O now, I needs must part

O sweet woods

Second Booke of Songes, 1600 :  I saw my lady weep

Sorrow, stay

Wilt thou unkind thus reave me?

whose heavenly touch Mariana Flores Hopkinson Smith cd Naive E8941

 

http://www.stretto.be/2020/09/24/john-dowland-a-fancy-door-bor-zuljan-op-het-label-ricercar-meesterlijke-intimiteit/