“London circa 1720, Corelli’s Legacy”, door La Rêveuse, Florence Bolton & Benjamin Perrot, op het label harmonia mundi. Verfrissend en heerlijk mooi!

De eerste opname op harmonia mundi van het in 17de– en 18de-eeuwse muziek gespecialiseerd, schitterend  ensemble, “La Rêveuse” met historische instrumenten, is gericht op muziek van veelal buitenlandse componisten in het London van 1720.Gedurende de 18deeeuw was het lot van veel Italiaanse componisten om te emigreren. Deze componisten kwamen dan in dienst van prestigieuze, buitenlandse hoven. Ze ontwikkelden elk de ‘Italiaanse stijl’, gebaseerd op hun eigen smaak of die van het land waar ze hun toevlucht hadden gezocht. In het bijzonder exporteerden de Italianen hun melodische elegantie en een bepaald soort van individualisme, geërfd van de Italiaanse opera en van de Italiaanse, instrumentale virtuozen. Elke componist creëerde zijn eigen stijl of klankidioom.De Italianen verhuisden naar verschillende Europese landen op zoek naar een beter bestaan. Soms was dit definitief, zoals in het geval van Michele Mascitti, die in Parijs bleef tot zijn overlijden in 1760, of tijdelijk, zoals in het geval van Baldassarre Galuppi, die Venetië twee keer verliet, om Londen en het hof van Catherine de Grote in Petersburg te bezoeken. Ook was de verhuizing niet altijd synoniem voor succes. Dit was bv. het geval met Antonio Vivaldi. Hij trok naar Wenen om er zijn fortuin te zoeken, maar overleed er in armoede. Daarentegen was Pietro Locatelli in Amsterdam, heel succesvol als componist en als vioolvirtuoos. Sommige componisten zoals Locatelli en Tartini waren voorbestemd om over de hele wereld beroemd te worden, terwijl anderen minder bekend werden, maar wel duidelijk hun stempel drukten in het muzikale veld, dankzij hun unieke stijl, bestaande uit expressieve vrijheid, instrumentale levendigheid en formele duidelijkheid die later de iconische Italiaanse stijl definieerde.

Begin 18deeeuw trokken buitenlandse musici o.a. naar de Engelse hoofdstad Londen, waar het concertpubliek graag kennismaakte met muziek van bv. Geminiani, Corelli en Handel. De jaren 1720 waren getuige van een koortsachtige vraag naar muziek die veel buitenlandse virtuozen ertoe bracht naar de stad te verhuizen. Concert minnende Londenaren genoten van de laatste sonates in de stijl van de oude meester Corelli, van de eerste blokfluit- en fluitconcerti, en van het werk van de jeugdige nieuwkomer Händel. Er ontstond een nieuw cultureel muzikaal leven dat meer en meer gebaseerd was op vraag en aanbod.

Pietro Castrucci (1679-1752) bv. werd geboren in Rome, waar hij studeerde bij Arcangelo Corelli. In 1715 vestigde hij zich in Londen, waar hij bekend werd als één van de beste virtuoze violisten van zijn generatie. In 1718 werd hij de leider van het operaorkest van Händel, een functie die hij bekleedde tot 1737, toen hij werd opgevolgd door de helaas jong overleden, Ierse violist, John Clegg. In 1739 werd Castrucci een van de eerste begunstigden van de pas opgerichte “Royal Society of Musicians”. Ook later, Johann Christian Bach, de in Rotterdam geboren Pieter Hellendaal (1721-1799), en Joseph Haydn, maakten in de 2de helft van de 18de eeuw, carrière in Londen.

“La Rêveuse” koos voor werk van William Babell (1690-1723), Francesco Geminiani (1687-1762), Georg Friederich Händel (1685-1759), Nicola Francesco Haym (ca.1679-1729) en Johann Christian Schickhardt (ca.1682-1762).

De Engelse componist William Babell (foto) was een productief arrangeur van vocale muziek voor klavecimbel. Hij ontving zijn muzikale opleiding van zijn vader, Charles Babel, een fagottist in het Drury Lane orkest, Johann Christoph Pepusch en mogelijk ook van Händel. Hij speelde viool in de privéband van George I.,trad vanaf 1711 op als klavecinist, vaak met William Corbett, James Paisible en later Matthew Dubourg, en werd geassocieerd met Lincoln’s Inn Fields Theatre. Van november 1718 tot aan zijn overlijden was hij organist in All Hallows, Bread Street, waar hij werd opgevolgd door John Stanley. Babell maakte bv. een transcriptie van Armide’s aria’s, “Vo far guerra”, uit Händels opera “Rinaldo”, dat Händel bedoelde als pronkstuk voor zijn klavecimbelspel en vrij opmerkelijk was in zijn virtuositeit. Babell maakte de transcriptie vanuit zijn herinnering aan hoe Händel improviseerde tijdens de uitvoeringen. Babell componeerde ook originele sonates voor viool of hobo en continuo, concerti en andere diverse werken, met name een “Ode for St. Cecelia’s day”, die nu helaas verloren is. De talloze klavierarrangementen die hij maakte van aria’s uit populaire opera’s van zijn tijd, werden zowel in Frankrijk, Nederland en Duitsland als in Engeland uitgegeven, en vormden de basis van zijn muzikale reputatie. Zijn stijl werd sterk beïnvloed door deze van Händel.

Schickhardt woonde en werkte in Hamburg, Zweden en Holland, maar rond 1713 verbleef hij in Londen, waar hij de zes Concerto’s voor vier fluiten en basso continuo op. 19 componeerde. In 1735 was Schickhardt weer in Londen, waar hij een verzameling van 24 fluitsonaten in alle toonaarden, het zogenaamd “Alfabet van de muziek” op. 30, componeerde. Omdat toen in Londen talrijke fluitliefhebbers woonden, was deze stad de meest geschikte plaats om zulke composities te verkopen. Van zijn populariteit in de eerste helft van de 18e-eeuw getuigt het groot aantal uitgaven in Amsterdam, maar ook het feit dat zijn werken al spoedig illegaal verschenen bij de Londense uitgever John Walsh & Joseph Hare.

Naast kamermuziek, componeerde Schickhardt ook werken die stilistisch tussen kamermuziek en concertante muziek stonden, bijvoorbeeld de concerti op. 9 voor vier blokfluiten en basso continuo, waarvan hier één concerto, uitgevoerd op 2 blokfluiten en 2 traverso’s, en de 6 Sonaten voor blokfluit, twee hobo’s en basso continuo. In het 18deeeuws Engeland was de blokfluit, (recorder of flauto), een populair instrument onder muziekliefhebbers. Handel componeerde er bijzondere sonaten voor, en omdat de muziek van de eminente Arcangelo Corelli, een enorme indruk maakte, werd algauw een groot aantal virtuoze arrangementen gemaakt van Corelli’s schitterende muziek voor blokfluit.

De Sonaten voor blokfluit en continuo, (voor “flauto (dolce) e cembalo”) van Handel bv., niet te verwarren met zijn Sonaten voor traverso of “German Flute” en continuo, zijn als het ware een compendium van de originele literatuur voor de blokfluit. Ze werden in 1730, samen met andere sonaten, uitgegeven als “Sonates pour un Traversiere, un Violon ou Hautbois Con Basso Continuo Composées par G. F. Handel” door Jeanne Roger (dochter van Estienne) in Amsterdam. In 1732 volgde de uitgave “Solos for a German Flute a Hoboy or Violin with a Thorough Bass for the Harpsichord or Bass Violin Compos’d by Mr. Handel” van John Walsh in Londen. De Sonaten zijn typisch de stijl van Handel, in die zin dat de bovenstem, in dit geval, de solo blokfluitpartij, erg vocaal gedacht is. De mooie melodieën zijn boeiend en opmerkelijk vanwege hun ogenschijnlijke eenvoud, maar eisen veel virtuositeit.In 1714 vertrok Geminiani naar Engeland (zijn leraar Lonati had dat eerder ook gedaan), waar hij als violist, dirigent en muziekleraar, gewaardeerd werd door het Engelse hof en de aristocratie. Reeds in 1714 verscheen hij met Händel in Londen. In 1715 speelde Geminiani zijn vioolconcerti voor het hof van George I, met Händel aan het klavecimbel. In het midden van de jaren 1720 werd hij vrijmetselaar in Londen, met name als een leidend lid van de kortstondige loge “Philo-Musicae et Architecturae Societas” (1725-27) in de “Queen’s Head taverne” aan Fleet Street, waar nu het mooi gebouw van “The Old Bank of England” staat.Met uitzondering van twee perioden die hij in Dublin doorbracht en één periode in Parijs, verbleef Geminiani in Engeland en introduceerde er voor het eerst de moderne viooltechniek. Zijn “Art of Playing on the Violin” (1751) was overigens één van de vroegste leerboeken over het vioolspel in het algemeen. In 1749 publiceerde hij in Londen een collectie songs, bewerkt tot sonaten voor verschillende instrumenten.

De bekendste composities van Geminiani zijn drie reeksen concerti grossi, Op 2 (1732), Op 3 (1733) en Op 7 (1746) (er zijn in totaal 42 concerti) waarin hij de altviool als lid van de concertino-groep solisten introduceerde. Daardoor waren ze in wezen concerti voor strijkkwartet. De concerti waren contrapuntisch om tegemoet te komen aan de voorkeur van het Londens publiek dat nog steeds hield van de stijl van Corelli. Dit in tegenstelling tot de nieuwe, galante stijl die op dat moment reeds in de mode was op het continent. Geminiani herwerkte ook Corelli’s opusnummers. 1, 3 en 5 tot concerti grossi.

Haym werd geboren in Rome. Zijn carrière begon als cellist in Italië. In het groot orkest o.l.v. Arcangelo Corelli in de kerk van “San Luigi dei Francesi” in Rome, speelden nl. verschillende beroemde cellisten, onder wie Lulier (Giovannino del Violone), Haym, Amadei en Perroni. Haym arriveerde in 1701 in Londen waar hij meester van de kamermuziek werd van de 2de hertog van Bedford. Hij schreef het libretto voor Bononcini’s “Camilla”, een baanbrekend werk dat veel heeft bijgedragen aan de vestiging van de Italiaanse opera in Londen, en later, toen opera’s in Londen volledig in het Italiaans werden opgevoerd, in plaats van in een tweetalige mix van Engels en Italiaans, besteedde Haym veel tijd aan het aanpassen van zowel libretti als muziek voor de vele pasticcios die op dat moment werden opgevoerd.In 1720 werkte hij als continuo cellist voor de nieuwe Royal Academy of Music en twee jaar later werd hij secretaris van de Academie voor de laatste zes seizoenen. Hij schreef niet alleen libretti, maar nam in die tijd ook de rol van regisseur op zich. Voorafgaand aan zijn overlijden in Londen in 1729, was hij van plan Händel en John James Heidegger (foto) te helpen bij de bouw van een nieuwe Academie, na de ondergang van de vorige.

Het ensemble “La Rêveuse” werd in 2004 opgericht door de theorbist Benjamin Perrot en de gambiste, Florence Bolton (foto). Het ensemble ontleent zijn naam aan een compositie voor gamba van Marin Marais (1656-1728). Tot de musici behoren de klavecinist Bertrand Cuiller, de organist Emmanuel Mandrin en de klavecinist Carsten Lohff. Sinds haar oprichting is het ensemble La Rêveuse geïnteresseerd in het kleinschalig instrumentaal en vocaal repertoire uit de 17de -en 18de eeuw (o.a. Purcell, Lawes, Marin Marais, Jacquet de la Guerre, Brossard, Buxtehude, Reinken), met bijzondere aandacht voor de basso continuo. De uitvoerders zijn Florence Bolton, gamba, Benjamin Perrot, theorbe, Sébatien Marq, sixth flute, alt- en tenor blokfluit (recorder), Marine Sablonnière, alt- en tenor blokfluit, Serge Saitta en Olivier Riehl, traverso, Stéphan Dudermel en Ajay Ranganathan, viool, Carsten Lohff, klavecimbel, en Benoît Vanden Bremden, contrabas.

 Tracklist :

Babell: Concerto No. II for sixth flute (sopraanblokfluit) in D Major, Op. 3

Geminiani : Sonata No. IV in D Major, Op. 1, H. 4

Corelli/arr. Johann Christian Schickhardt: Sonata No. IV in F Major, Op. 6 (naar de Concerti grossi nrs. 1 & 2 op. 6 van Corelli)

Händel: Concerto a quattro in D minor

Schickhardt: Concerto No. 2, Op. 19 for 2 recorders, 2 traversos and basso contnuo

Händel: Sonata per la viola d gamba in G minor HWV364b

Händel: “Spera si mio caro bene” (uit “Admeto”)

Haym: “Thus with thirst my souls expiring” (uit “Pyrrhus and Demetrius” (“Pirro e Demetrio”) van Alessandro Scarlatti)

https://lnk.to/London1720LaReveuse

London circa 1720 Corelli’s Legacy La Rêveuse Florence Bolton & Benjamin Perrot cd harmonia mundi HMM905322