“Bruckner, Latin motets” door het Latvian Radio Choir o.l.v. Sigvards Kļava, op het label Ondine. Devotie uit de Oberösterreichische Alpen. Grandioos!

Op deze cd staat een selectie van kleinere koorwerken die Anton Bruckner tussen 1848 en 1892 componeerde. Veel van deze werken waren lang vergeten, maar na een lange periode aan de rand van de koorwereld, zijn de motetten van Bruckner nu eindelijk weer bekend.Anton Bruckner (1824-1896) (foto) staat bekend als een van de grootste symfonici van de 19de eeuw, maar ook koormuziek maakte deel uit van zijn oeuvre. Hij componeerde nl. in de loop van zijn leven ongeveer 40 motetten, de vroegste, een toonzetting van Pange lingua, in ca. 1835, de laatste, Vexilla regis in 1892. Vóór 1841 is slechts één werk van Bruckner bekend, het motet, Pange lingua in C (WAB 31. Een eerste versie van slechts 28 maten voor koor a capella, componeerde Bruckner in 1835/1836 toen hij als elfjarige jongen bij zijn neef, Johann Baptist Weiß, in Hörsching (foto)  studeerde, en een tweede versie tegen het einde van zijn leven (19 april 1891). De weinige andere werken uit deze periode in de catalogus van Renate Grasberger (°1941) zijn ofwel niet van Bruckner of van twijfelachtige authenticiteit. Domine, adjuvandum me festina (“O Heer, haast u mij te helpen”; WAB 136) is met name een compositie van Johann Baptist Weiß. De vijf preludes in Es voor orgel (WAB 127 en 128) en enkele andere orgelwerken gevonden in Bruckners Orgelbuch zijn vermoedelijk transcripties van werken van Johann Baptist Weiß of van andere componisten. Tussen oktober 1841 en september 1845, tijdens zijn verblijf als hulponderwijzer in Windhaag en Kronstorf (foto’s), componeerde Bruckner achtereenvolgens drie vroege missen, de “Windhaager Messe”, de “Kronstorfer Messe” en de “Messe für den Gründonnerstag”. Tijdens zijn verblijf in Kronstorf componeerde hij ook zijn eerste naamdagcantate, “Vergißmeinnicht”, en enkele motetten. Tussen september 1845 en december 1855, tijdens zijn verblijf als organist in het Sankt Florian klooster, componeerde Bruckner motetten, een Magnificat, een Requiem en de Missa solemnis, Psalm 22 en 114, en vier naamdagcantates, “Entsagen”, de “Arneth Cantate”, de “Mayer Cantata” en “Festgesang”.Tussen december 1855 en oktober 1868 verbleef Bruckner in Linz. Tijdens de periode van Simon Sechters lessen (van midden 1855 tot 26 maart 1861), voltooide Bruckner Psalm 146, waaraan hij tijdens zijn verblijf in Sankt Florian was begonnen. Verder componeerde hij slechts een paar kleine werken, waarvan één motet, Ave Maria (WAB 5), het eerste van drie Ave Maria’s in F voor koor-, sopraan- en alt-solisten, orgel en cello, werd in juli 1856 gecomponeerd als geschenk voor Ignaz Traumihler, de koorleider van Sankt Florian. Na afloop van Sechters lessen componeerde Bruckner twee motetten, Ave Maria (WAB 6): een werk van 51 maten, het tweede van de drie Ave Maria’s in F voor 7-stemmig koor a capella, dat Bruckner in mei 1861 componeerde om het einde van zijn lessen bij Sechter te vieren, en Afferentur regi (WAB 1), een offertorium in F voor koor en 3 trombones ad libitum, gecomponeerd in november 1861. Tot 10 juli 1863 studeerde Bruckner verder bij de cellist en dirigent, Otto Kitzler (1834-1915). Kitzler leerde Bruckner de muziek van Richard Wagner kennen.In deze periode componeerde Bruckner het Strijkkwartet in C, zijn eerste orkestcomposities, de “Vier Orchesterstücke” (“Marsch” en “Drei Sätze für Orchester”), de Ouverture in G en de Studiesymfonie in fa klein, WAB 99, 1863, en enkele andere composities zoals de feestelijke cantate “Preiset den Herrn”, psalm 112 en “Germanenzug”. Na het einde van Kitzlers lessen componeerde Bruckner achtereenvolgens de Missen nrs. 1, 2 en 3, zijn officiële, eerste symfonie, en enkele motetten. In oktober 1896, tijdens de “Weense periode”, besteedde Bruckner de meeste tijd aan zijn symfonieën, met tussen de symfonieën nr. 5 en 6, het strijkkwintet in F, en tussen de symfonieën nr. 6 en 7, het Te Deum. Tussen zijn symfonieën nr. 8 en 9, componeerde hij in Wenen nog Psalm 150, de wereldlijke cantate, “Helgoland”, en nog enkele motetten.
Het Latvian Radio Choir (LRC) behoort tot de beste professionele kamerkoren in Europa. Hun repertoire varieert van renaissancemuziek tot de meest verfijnde partituren van moderne componisten; en het zou kunnen worden omschreven als een geluidslaboratorium. De zangers verkennen nl. hun vaardigheden door zich te wenden tot de mysteries van traditionele zang, evenals tot de kunst van kwarttonen en boventoonzang en andere geluidsproductietechnieken. Het koor heeft een nieuw begrip ontwikkeld van de mogelijkheden van een menselijke stem en is daardoor als het ware de schepper van een nieuw koorparadigma. Elke zanger is met name een apart individu met zijn of haar eigen vocale signatuur.Aan het orgel, Kristine Adamaite (foto).Sigvards Kļava (°1962) uit Riga, is een van de meest vooraanstaande Letse dirigenten, professor directie en producer, en muziekdirecteur van het Letse Radio Koor sinds 1992. Als resultaat van Sigvards Klava’s gestage inspanningen is het Lets Radio Koor een internationaal erkend, vocaal collectief gewordenwaarin elke zanger een creatieve individualiteit bezit. Onder leiding van Sigvards heeft het koor een aantal koorwerken opgenomen van weinig bekende of volledig vergeten componisten uit het verleden, en een samenwerking aangegaan met een aantal opmerkelijke Letse componisten. Sigvards Klava is professor aan de Jazeps Vitols Latvian Academy of Music en meervoudig winnaar van de Latvian Great Music Award.
Tracklist :

1.Os Justi (WAB 30) (1879)

2.Christus factus est (WAB 11) (1884)

3.Locus iste (WAB 23) (1863)

4.Ave Maria (WAB 6) (1861)

5.Libera me (F minor) (WAB 21) (1843)

Kronstorfer Messe (WAB 146) (1844)

6.I. Kyrie

7.II. Sanctus

8.III. Benedictus

9.IV. Agnus Dei

10.Tantum Ergo (WAB 32) (1845)

11.Tantum Ergo (WAB 41) (1846)

12.Tantum Ergo (WAB 42) (1846)

13.Tantum Ergo (WAB 43) (1846)

14.Virga Jesse (WAB 52) (1885)

15.Pange lingua et Tantum ergo (WAB 33) (1868)

16.Salvum fac populum tuum (WAB 40) (1884)

17.Tota pulchra es Maria (WAB 46) Tenor: Janis Kursevs (1878)

18.Vexilla Regis (WAB 51) (1892)Bruckner Latin Motets Latvian Radio Choir Sigvards Klava cd Ondine ODE1362-2

http://www.stretto.be/2020/10/17/bruckner-mass-no-2-in-e-minor-te-deum-door-collegium-vocale-gent-o-l-v-philippe-herreweghe-op-het-label-phi-ad-majorem-dei-gloriam/

http://www.stretto.be/2019/11/15/requiem-en-trauermusik-van-de-jonge-anton-bruckner-door-rias-kammerchor-berlin-en-de-akademie-fur-alte-musik-berlin-o-l-v-lukasz-borowicz-op-het-label-accentus-hemels/

http://www.stretto.be/2018/04/02/anton-bruckners-missa-solemnis-op-het-label-accentus-schitterend/