“Sigismondo d’India, Lamenti & sospiri”, door Mariana Florès en Julie Roset, en Cappella Mediterranea, o.l.v. Leonardo García Alarcón, op het label Ricercar. Argentijns temperament Alla manièra italiana. Hemels!

Sigismondo d’India (ca. 1582-1629) en Claudio Monteverdi (1567-1643) hebben beiden parallel een stijl ontwikkeld die de muziekgeschiedenis sterk heeft beïnvloed. Als deze geërfd was van componisten als Luca Marenzio of Carlo Gesualdo, transformeerden d’India en Monteverdi ze, dankzij de creatie van nieuwe technieken, in de seconda pratica, het uitdrukken van verhoogde emoties.Op de cd staan  18 aria’s, lamenti en duetten van Sigismondo d’India, afgewisseld met een Canzona cromatica van Giovanni Maria Trabaci (ca.1575-1647). Giovanni Maria Trabaci (foto) werd geboren in Montepeloso (nu Irsina), nabij Matera, in de regio, Basilicata of Lucanië, in het zuiden van Italië. Er is niets bekend over zijn vroege leven. Op 1 december 1594 werd hij aangesteld als tenor bij Santissima Annunziata Maggiore (foto) in Napels, maar al in 1597 moet hij bekend zijn geweest als organist en orgelexpert, want dat jaar werd hij uitgenodigd om het orgel van Oratorio dei Filippini te testen. Hij was daar een tijdje organist en werd vervolgens, in 1601, organist van de Spaanse onderkoningen in Napels. De tweede organist was Ascanio Mayone en Giovanni de Macque was maestro di capella. Trabaci volgde de Macque op in 1614 na diens overlijden, en bekleedde de functie voor de rest van zijn leven. Tussen 1625 en 1630 werkte hij ook bij het Oratorio dei Filippini. Trabaci was het meest bekend om zijn klavierwerken, waaronder ricercares, canzona’s en toccata’s verzameld in twee publicaties (Libro primo, 1603, Libro secondo, 1615). Zijn gedurfde harmonische taal, met onverwachte modulaties naar verre toonsoorten, en experimenten met structuur beïnvloedden Girolamo Frescobaldi. Hij componeerde 2 stukken in dat experimenteel idioom, “Durezze et ligature” en “Consonanze stravaganti” (1603). Trabaci componeerde ook talrijke religieuze, vocale werken. Zijn motetten uit 1602, Motectorum, bevatten geavanceerde harmonische geschriften, die mogelijk de Sacrae-cantiones uit 1603 van Carlo Gesualdo hebben beïnvloed.Florentijnse recitatiefstijl, de basso continuo om in madrigalen de tekst te accentueren en emotionele inhoud te geven, het aanwenden van decoratieve, instrumentale muziek in de dubbelkorige, godsdienstige muziekpraktijk met de introductie van tremolo en pizzicato als stile concitato, de antithese van prima en seconda prattica, portamento, het zijn maar enkele van de stijlkenmerken van de muziek van Monteverdi, verder uitgewerkt door zijn volgelingen. Zij werkten in Padua, Parma, Modena, Venetië, Ferrara, Milaan, Bologna, Mantua, Bergamo en Brescia en werkten de canzone, ricercar en fantasia uit tot de monothematische triosonate, Sonata da chiesa en Sonata da camera met continuo. Sigismondo d’India en Claudio Monteverdi zorgden voor de overgang van renaissance en barok, het muzikaal equivalent van het maniërisme in de schilderkunst, net als de andere kunstenaars van die tijd, die het gebaar en de vorm van de renaissancefiguur sterk articuleerden, zoals Michelangelo Buonarroti in zijn Sixtijnse Kapel.Carlo Gesualdo was het enfant terrible van de late renaissance. Hij kwam als adellijke prins weg met de brute moord op zijn vrouw en haar minnaar en hij componeerde zes boeken meerstemmige madrigalen met expressieve chromatiek en dissonantie, die voor zijn tijdgenoten steeds onbegrijpelijker werden. Opmerkelijk is dat Gesualdo niet zoals zijn tijdgenoot Claudio Monteverdi, overging naar de ‘stile nuovo’, de begeleide monodie en de concertante schrijfwijze. Zijn eerste twee madrigaalbundels, alsook de canzonetta’s en de gaillardes voor 1590 gecomponeerd, hadden nog niet het dramatisch karakter van de latere madrigalen. In de Boeken III en IV, ontstaan in Ferrara, valt het gebruik op van voor die tijd, gewaagde intervallen zoals secundes en septiemen, en een behoefte om gevoelens, affecten, die bepaalde woorden zoals ’dolore’ en ’gioisca’ opriepen, in de muziek uit te drukken.Sigismondo d’India werd waarschijnlijk geboren in Palermo, in 1582, hoewel details over zijn leven tot ongeveer 1600 ontbreken. Tijdens het eerste decennium van de 17e eeuw reisde hij waarschijnlijk veel in Italië, ontmoette hij componisten, kreeg hij beschermheren aan verschillende aristocratische hoven, en het absorbeerden hij de muziekstijlen op elke locatie. Het was een tijd van overgang in de muziekgeschiedenis, aangezien de polyfone stijl van de late Renaissance plaatsmaakte voor de wijdverbreide praktijken van de vroege barok, en d’India lijkt een ongewoon breed begrip te hebben gekregen van de totale stilistische praktijk in Italië : de expressieve madrigaalstijl van Marenzio, het grootse polychorale werk van de Venetiaanse School, de conservatieve polyfone traditie van de Romeinse school, de pogingen om de muziek van de antieke wereld te herstellen in monodie, de nieuw ontwikkelde opera, evenals als de gemanierde, emotioneel intense chromatische stijl van Carlo Gesualdo in Napels.Het is bekend dat d’India in Florence was (de geboorteplaats van de opera), evenals in Mantua, waar Monteverdi werkte. In Napels ontmoette hij waarschijnlijk Gesualdo, en in 1610 was hij in Parma en Piacenza. Het jaar daarop, 1611, werd hij ingehuurd door Carlo Emanuele I, hertog van Savoye (foto), om muziek te regisseren in Turijn, waar hij bleef tot 1623. Deze waren de meest productieve jaren van zijn leven, waarin hij de verschillende types muziek die hij in de jaren 1600-1610 had gehoord, samenbracht in een uniforme stijl. Nadat hij Turijn had verlaten reisde hij vijf maanden door Italië voor hij zich vestigde aan het hof van D’Este in Modena (oktober 1623 tot april 1624), en vervolgens naar Rome verhuisde. Hij lijkt te zijn gestorven in Modena, hoewel details over het einde van zijn leven even schaars zijn als voor het begin.De sopraan, Mariana Florès, geboren in 1980 in Mendoza in Argentinië, studeerde zang aan de Nationale Universiteit van Cuyo (Universidad Nacional de Cuyo) waar ze in 2003 afstudeerde. Daarna vervolgde ze haar studie in Zwitserland aan de Schola Cantorum Basiliensis bij de mezzosopraan Rosa Dominguez, die ze in 2008 afrondde. Ze volgde tal van masterclasses bij onder meer de Argentijnse mezzosopraan Bernarda Fink. Ze werkt regelmatig samen met de Cappella Mediterranea en het Ensemble Clematis onder leiding van haar echtgenoot, de Argentijnse dirigent en koordirigent Leonardo García Alarcón.De coloratuursopraan, Julie Roset, begon aan de Maîtrise de l’Opéra d’Avignon en studeerde in 2016, af in bij Valérie Marestin. Ze maakte kennis met oude muziek door Monique Zanetti en studeerde af aan de Haute École de Musique in Genève (2019, klas van Lucien Kandel). Ze won in 2016 drie prijzen op het Concours Jeunes Espoirs de l’Opéra d’Avignon, en in 2019, drie prijzen op de Corneille Competition. Ze nam “Lettera amorosa” (2017), “Madrigaux d’Arcadelt” (2018) op met Cappella Mediterranea (o.l.v. L. Garcia Alarcon), en andere met de ensembles Correspondances en Holland Baroque. Met Clematis bracht ze in 2020 haar eerste solo cd, “Nun Danket Alle Gott” uit. In 2019 zong ze met het Ensemble Pygmalion (R. Pichon) op het slotconcert van het Festival d’Aix-en-Provence, en trad in 2020, toe tot de Juilliard School, bij de Canadese sopraan, Edith Wiens (°1950), (Chair of Voice at the Juilliard School).De Argentijnse dirigent, gespecialiseerd in barokmuziek, Leonardo García Alarcón (°1976), verhuisde in 1997, na zijn pianostudies in Argentinië, naar Europa om er muziektheorie en klavecimbel te gaan studeren bij Christiane Jaccottet aan het Centrum voor Oude Muziek van Genève. Als lid van het Elyma Ensemble werd hij assistent van Gabriel Garrido voor hij in 2005 zijn eigen ensemble oprichtte, Cappella Mediterranea. Alarcón brengt graag vergeten werken onder de aandacht. Zo blies hij nieuw leven in Giuseppe Zamponi’s opera ‘Ulysse’ met meerdere uitvoeringen in 2006 en Michelangelo Falvetti’s ‘Il Diluvio Universale’, meermaals uitgevoerd in 2010. Tevens in 2010 begon zijn driejarige residentie aan het Centre Culturel de Rencontre d’Ambronay. Ook werd hij artistiek leider en chef dirigent van het Chœur de chambre de Namur. Alarcón is een vaste gast in opera’s, concertzalen en op festivals over de hele wereld, waaronder het Festival d’Aix-en Provence, de Opera van Lyon, Ambronay Festival, Konzerthaus Wien, Teatro Colón in Buenos Aires, Grand Théâtre in Genève, Theatre Zarzuela in Madrid, Amsterdam Concertgebouw, Montecarlo Opera, Théâtre des Champs-Elysées in Parijs, Wigmore Hall in Londen, Fondation Gulbenkian in Lissabon, het Festival de la Chaise-Dieu en het Teatro Maximo in Palermo. Alarcón leidt de klavecimbelklas en de afdeling barokzang aan het conservatorium van Genève.Sigismondo d’India Lamenti & sospiri Mariana Flores Julie Roset Cappella Mediterranea Leonardo García Alarcón cd RIC429