Gluck, “Don Juan – Sémiramis” door Le Concert Des Nations o.l.v. Jordi Savall, op het label AliaVox. Een revelatie!

Jordi Savall presenteert op zijn nieuwste cd, 2 magnifieke balletten van Christoph Willibald von Gluck uit 1761-1762, “Don Juan ou Le Festin de Pierre” en “Sémiramis”.

In 1761, een jaar voor zijn meesterwerk “Orpheus en Eurydice”, vernieuwde Gluck met “Don Juan” zijn bewerking van een stuk van Molière voor het Weens publiek, al grotendeels een ander muzikaal genre, het ballet. Een jaar later zou dit worden gevolgd door het ballet, “Sémiramis”, niet te verwarren met zijn opera, “La Semiramide riconosciuta” uit 1748. Deze twee balletten waren vernieuwend omdat ze als “Ballets Pantomimes”, voor het eerst, een coherent verhaal boden. Jordi Savall en Le Concert des Nations herstelden alle nuances van deze schitterende muziek en herinneren ons eraan dat, een kwart eeuw voor Mozart, de podia van Europa, het publiek, de suggestieve kracht boden van muziek van die andere opmerkelijke figuur, Christoph Willibald von Gluck (1714-1787).

Het ballet, “Don Juan ou Le Festin de Pierre”, gebaseerd op Molière ’s gelijknamig toneelstuk uit 1665, op een libretto van Ranieri de Calzabigi, met muziek van Christoph Willibald von Gluck en in een choreografie van Gasparo Angiolini, ging in oktober 1761, in het Theater am Kärntnertor in Wenen, in première. De innovatie in de geschiedenis van het ballet , die een jaar voor Glucks radicale hervorming van de opera seria met zijn “Orfeo ed Euridice” (1762) kwam, was het coherent verhalend element, hoewel de reeks conventionele divertissementendansen in de tweede akte paste binnen de gevestigde ballettraditie van een entr’acte, die een pauze in het vertellen van het verhaal suggereerde. Het divertissement was toen nl. als “intermède chorégraphique”, zowel aanwezig in de proloog als in elke akte van een tragédie lyrique of een comédie-ballet, en als “entrée” in het opera-ballet.

Gluck (foto) vatte dans op als een autonome kunst, los van opera. Jean-Georges Noverre, de rivaal van choreograaf Angiolini, bracht balletten in Stuttgart, Londen en Parijs over heroïsche heldendaden, gedeeltelijk geïnspireerd door de theaterstukken van David Garrick (1717-1779) (foto), de directeur van het Drury Lane Theater in Londen. Aan de andere kant waardeerde Angiolini ’s passi d’azione in Wenen (geïnspireerd door Franz Hilverding en Gluck) de dans zelf meer. Noverre en Angiolini waren het oneens over de plaats van muziek in de balletkunst. Angioni beschouwde muziek en dans als twee verschillende componenten en Noverre geloofde dat de muziek de dans bepaalde. Voor hem vertaalden de protagonisten de muziek door en in hun bewegingen.

De Italiaanse dichter en librettist, Ranieri de Calzabigi (1714-1795) (foto) is het meest bekend gebleven om zijn samenwerking met Gluck en zijn “hervormings”-opera’s. Calzabigi, geboren in Livorno, bracht de jaren 1750 door in Parijs, waar hij een goede vriend werd van Giacomo Casanova. Hier ontwikkelde hij zijn interesse in opera en produceerde een editie van de werken van Pietro Metastasio, de beroemdste librettist van opera seria. Calzabigi was weliswaar ook onder de indruk van de Franse tragédie en musique en wilde de Italiaanse opera hervormen door het eenvoudiger en dramatischer effectief te maken. In 1761 vestigde hij zich in Wenen, waar hij gelijkgestemde hervormers ontmoette, Gluck en Graaf Giacomo Durazzo, de theaterregisseur; Gasparo Angiolini, de choreograaf; Giovanni Maria Quaglio, de decorontwerper, en de castraat Gaetano Guadagni. Samen werkten ze in 1762, aan Glucks baanbrekende “Orfeo ed Euridice”. Calzabigi schreef vervolgens het libretto voor Glucks “Alceste”, dat de praktijken van opera seria verder losliet ten gunste van “nobele eenvoud”. In het voorwoord van dit werk, zette Calzabigi zijn manifest voor de hervorming van de opera uiteen. Een derde samenwerking, Paride ed Elena, volgde in 1770. In 1774 werd Calzabigi verbannen uit het Weense hof als gevolg van een schandaal en vestigde hij zich in Pisa en in 1780 in Napels , waar hij zijn 2 laatste libretti schreef, Elfrida (1792) en Elvira (1794), beide op muziek van Giovanni Paisiello. Hij zette zijn literaire activiteiten wel voort tot aan zijn overlijden.

Gasparo Angiolini (1731-1803) begon als danser in Lucca in 1747 en reisde vijf jaar door Italië. Hierna trad hij van 1758 tot 1766, op in Wenen in de balletten van de Oostenrijkse danser en choreograaf, Franz Hilverding (1710-1768), in het keizerlijke theater. Hij ontwierp balletten voor opera’s van Jean-Jacques Rousseau, Johann Adolph Hasse, Giuseppe Scarlatti, Tommaso Traetta, maar is vooral bekend gebleven als de medewerker van Gluck. Angiolini choreografeerde met name Don Juan ou le Festin de Pierre (1761), Citera assediata, Orphée et Eurydice (1762) en Semiramis (1765). Van 1766 tot 1772, volgde hij Hilverding naar Sint-Petersburg, waar hij enkele nieuwe creaties gaf.

In 1774 keerde hij terug naar Wenen, als opvolger van Noverre, wat aanleiding gaf tot het dispuut over pantomimes, presenteerde Glucks ballet, “L’Orphelin de la Chine” (“L’Orfano della china”), en keerde vervolgens in 1776, terug naar Sint-Petersburg, waar hij de balletten ontwierp voor verschillende opera’s van Giovanni Paisiello. Van 1779 tot 1782 werkte hij opnieuw in Italië, voornamelijk aan de Scala. Van 1782 tot 1786 keerde hij terug naar Sint-Petersburg, doceerde aan de dansschool van de keizerlijke theaters, waarna hij in 1791, een einde maakte aan zijn carrière in Italië.

Hij was de auteur van verschillende balletten en theoretische werken over dans, zoals Dissertation sur les ballets-pantomimes des Anciens (1765, toegeschreven aan Ranieri Calzabigi) en Lettere de Gasparo Angiolini a Monsieur Noverre sopra i balli pantomimi (1773). Als hoofdfiguur in de Oostenrijks-Italiaanse lijn van pantomimeballet leverde hij een blijvende bijdrage aan de autonomie van ballet in de opera en aan de morele hervorming van de Italiaanse dans. In tegenstelling tot Noverre, die gebruik maakt van het gedetailleerde balletprogramma om de balletten uit te leggen, richt Angiolini zich op de helderheid en leesbaarheid van de gedanste tekst (of choreotekst), die in staat was een boodschap over te brengen zonder tussenkomst van het woord (logotekst).

Het ballet volgt de legende van Don Juan en zijn afdaling naar de hel na het doden van de vader van zijn inamorata in een duel. De scène is in Madrid. De ouverture is een korte sonate in sinfonietta-vorm waarin trompetten dreigend klinken. In de eerste akte brengt Don Juan, Donna Elvira een serenade onder haar balkon. Haar vader, de commandant, komt binnen, gewapend met zijn zwaard, om zijn dochter te beschermen. In het daaropvolgende duel verwondt Don Juan de commandant, die aanvalt, flauwvalt en sterft. In het tweede bedrijf bereidt Don Juan een banket voor zijn vrienden. De dansen voor zijn gasten zijn een gavotte, een contredanse, een menuet en een fandango. Er wordt plotseling hard op de deur geklopt. Don Juan opent de deur en ziet het marmeren beeld van de overleden commandant. Hij nodigt de commandant uit voor het diner.

De laatste akte vindt plaats op een begraafplaats. Begeleid door een muziekstuk in d klein uit de trombones, staat de commandant in een menuet op uit zijn graf, scheldt dan Don Juan uit, die hem confronteert met frivoliteit, ijdelheid en moed. De commandant doet een onherroepelijk oordeel over Don Juan. Bij het geluid van een dreigende passacaglia gaan de graven open, de vlammen stijgen en Juan zinkt in de hel.

Volgens de rabbijnse literatuur was Semiramis de vrouw van Nimrod. Dit is het geval in het opera libretto “Semiramide riconosciuta” van Pietro Metastasio. De Griekse arts en geschiedschrijver Ctesias van Cnidus, stelde haar weliswaar gelijk met koningin Sammuramat, de Babylonische/Assyrische echtgenote van Shamshi-Adad V. Na de dood van Shamshi-Adad in 808 v.Chr. was zij gedurende een vijftal jaar de regentes voor haar minderjarige zoon Adad-nirari III en heerste aldus over Assyrië. Verschillende monumenten en plaatsen in het Nabije Oosten werden aan haar toegeschreven of droegen haar naam, zoals de hangende tuinen van Babylon. Vermoedelijk was de figuur van Semiramis uit de antieke literatuur, gemodelleerd naar enkele historische koninginnen. Voltaire schreef de tragedie Semiramis over haar. Porpora, Gluck, Hasse, Giuseppe Sarti, Josef Mysliveček en Rossini componeerden een opera met als titel “Semiramide”, en ook Giacomo Meyerbeer bewerkte het toneelstuk van Pietro Metastasio, tot een opera met dezelfde titel.

Gluck Don Juan . Sémiramis Le Concert Des Nations Jordi Savall cd AliaVox AVSA9949