Cantate voor de Kroning van Leopold II, “Hail to the Monarch” van Leopold Koželuch op het label Naxos.

Bohemen behoorde sedert 1627 tot Oostenrijk. Peter Leopold (1747-1792), aartshertog van Oostenrijk en groothertog van Toscane, volgde in 1790 zijn broer Jozef II op als keizer van het Heilig Roomse Rijk en vorst van de Zuidelijke Nederlanden. Voor de kroning van Leopold II in Praag in 1791 werden twee composities besteld, de opera “La clemenza di Tito” bij Mozart en de cantate “Heil dem Monarchen” bij Koželuch.

De kroning van Leopold II als koning van Bohemen op 6 september 1791 was de derde en laatste ceremonie. Deze oude en plechtige ceremonie werd voorafgegaan door Leopolds kroning als Heilig Rooms keizer in Frankfurt op 9 oktober 1790 en op 15 november in Pressburg (nu Bratislava), als koning van Hongarije. De cantate, bij momenten feestelijk, sereen en donker dramatisch, werd goed ontvangen en maakte de naam Koželuch bekend in koninklijke kringen. Het zou leiden tot zijn benoeming in 1792 aan het hof van Leopolds zoon en opvolger, de laatste Heilig Roomse keizer, Franz II. Koželuch componeerde overigens ook een “Ballo zur Krönung Leopolds II”.Leopold besteeg de troon in een moeilijke tijd. Nog vóór het uitbreken van de revolutie in Frankrijk, waren de landen waar hij regeerde in een staat van onrust als gevolg van de impopulaire oorlog tegen het Ottomaanse Rijk en door de radicale hervormingen opgelegd door zijn voorganger, Joseph II, die veel traditionele aanhangers van de kroon had vervreemd. Leopold zelf, genoot weliswaar een reputatie als een verlichte heerser, als resultaat van zijn welwillende maatregelen als Groothertog van Toscane. Na het overlijden van zijn vader, Franz Stephan von Lothringen, in 1765, oefende Leopold de eerste vijf jaar grotendeels gezag uit onder het toezicht van raadgevers die door zijn moeder, keizerin Maria Theresa, waren aangesteld. Vanaf 1770 begon hij zelf een reeks belangrijke hervormingen door te voeren. Onder deze waren de invoering van een rationeel belastingstelsel, het opheffen van de beperkingen voor de industrie en persoonlijke vrijheden die waren opgelegd door de voormalige heersers van Toscane, de Medici’s, en een hervorming van het strafwetboek die de doodstraf afschafte en marteling verbood.

De kroningsfeesten waren een uitvoerig gechoreografeerde oefening in politiek manoeuvre en waren gepland door de landen van de Boheemse kroon als achtergrond voor de ratificatie van een politiek akkoord tussen Leopold en de Boheemse adel om één van de belangrijkste hervormingen van Jozef II, de afschaffing van de lijfeigenschap in Bohemen, met zijn bijbehorende belastingverhoging voor aristocratische landeigenaren, te herroepen.

Zowel de kroningsopera als de cantate waren opdrachten van de Boheemse kroonlanden, maar Mozart was niet de eerste componist voor de opera. De impresario Domenico Guardasoni, de directeur van het Nationaal Theater in Praag, benaderde eerst Antonio Salieri, die de opdracht vanwege te veel werkdruk weigerde. Guardasoni bood hem vervolgens aan, aan Mozart, wiens opera’s “Le nozze di Figaro” en “Don Giovanni”, sensationele successen waren in Praag. Daarnaast was er geen twijfel omtrent de keuze van Koželuch als componist van de cantate. Koželuch had immers al twee ‘keizerlijke’ cantaten gecomponeerd, de eerste in 1781, op een libretto van Michael Denis, ter herdenking van het overlijden van keizerin Maria Theresia, “Klage auf den Todt Marien Theresien”, en een tweede, in 1783, op een libretto van de Jezuïet Eustachius Föderl, ter ere van Joseph II, “Joseph, der Menschheit Segen”.

Leopold Antonín Koželuch (1747-1818), geboren als zoon van een schoenmaker in Velvary, een klein stadje ten noordwesten van Praag, ontving zijn muzikale opleiding in Praag, waar hij o.a. contrapunt studeerde bij zijn neef, Jan Antonín Koželuch en piano en instrumentale compositie bij F.X. Dussek. Dussek, een voormalige leerling van Georg Christoph Wagenseil in Wenen, was de leidende klavierspeler in Praag en een zeer ervaren componist van instrumentale muziek. Koželuch, die zijn naam veranderde in Leopold om verwarring met zijn neef te voorkomen, ontwikkelde zich tot een uitzonderlijke pianist en een beloftevolle componist.

In 1778 verhuisde hij naar Wenen om een carrière als professionele musicus uit te bouwen. Als opvolger van Georg Christoph Wagenseil werd hij aan het keizerlijk hof de leraar van aartshertogin Maria Elisabeth, de dochter van keizerin Maria Theresia van Oostenrijk. Koželuch had een danige reputatie als pianist, leraar en componist, dat hij in 1781 de positie als hof organist van de aartsbisschop van Salzburg, vrijgemaakt door het ontslag van Mozart, weigerde. Rond 1784 begon met het publiceren van zijn eigen werken en in 1785 richtte hij een muziekuitgeverij op (“Musikaliches Magazin”), die later werd beheerd door zijn jongere broer, Antonín Tomáš. Koželuch cultiveerde ook uitgevers op andere plaatsen in Europa en zijn symfonieën werden o.l.v. Haydn populair in Londen.

De librettist van de kroningscantate, August Gottlieb Meissner (1753-1807), werd halverwege de jaren 1780 benoemd tot hoogleraar Esthetica en Klassieke literatuur aan de universiteit van Praag. Zijn feestelijk libretto verhief de persoonlijke kwaliteiten van de nieuwe koning, waaronder zijn rechtvaardigheidsgevoel, zijn onvergankelijkheid en zijn bescherming van weduwen en wezen. Deze kwaliteiten stonden in schril contrast met die van vorsten die glorie en onsterfelijkheid zochten in oorlogen en ongevoelig waren voor het leed van de onderdanen. Maar het libretto waarschuwde ook voor de moeilijkheden van de toekomst en herinnerde Leopold aan een donker, turbulent verleden toen armoede en wanhoop heersten.

De Introduzione opent Poco Adagio met een krachtige, gepunte figuur die door componisten aan het hof van Lodewijk XIV in Versailles en in de operahuizen van Italië werd gebruikt om macht en majesteit uit te drukken. Het daarop volgend Allegro con fuoco bruist van energie en herinnert eraan dat Koželuch een volleerd componist van symfonieën was. De schriftuur voor het orkest is behendig en bevat een kleurrijke partijen voor de blaasinstrumenten. De Introduzione eindigt op een dominant akkoord dat overgaat in het daarop volgend openingskoor, “Heil dem Monarchen”. Het homofoon koor, dat krachtig door het orkest wordt begeleid, is symbolisch. Door samen te zingen, is het koor verwant aan het volk, en toont het unanieme vreugde in het begroeten van de nieuwe monarch.

“Heil dem Monarchen” bestaat uit een reeks contrasterende recitatieven, aria’s en ensembles, waarbij het accent op de vocale solisten ligt. De prachtige, serene sopraanaria “Du, des Himmels schönste Tochter” is een verhuld gebed tot de maagd om “Het hart van de Gezalfde naar het beeld van de Godheid” te vormen. Deze aria werd gezongen door Mozarts vriendin Josefa Dussek, de vrouw van de componist Dussek, in wiens huis, de “Villa Bertramka”, Mozart zijn “Don Giovanni” voltooide. Voor de eerste keer in het werk introduceerde Koželuch klarinetten in plaats van fluiten of hobo’s. Hij maakte geen gebruik van het donker, expressief laag register van het instrument, maar door de combinatie met een paar fagotten en hoorns, voegde hij een nieuwe kleur toe aan de partituur en onderstreepte hij op subtiele wijze het dramatisch belang van deze beweging in de algemene structuur van het werk. Na dit gebed, houden de recitatieven en aria’s “Welch ein Schauspiel”, “Die in der Fürsten Krone”, “Ist es Glück”, t.e.m. het Trio “Da erschien er”, stil bij een ideale prins die recht en de wet hooghoudt.

Leopold wordt eerst niet bij naam genoemd, maar wanneer hij erkend wordt en op de voorgrond wordt verplaatst, benadrukt Koželuch hoe geliefd hij is en schrijft hij een complexe beweging die verwijst naar het donker en turbulent verleden. Daarna wordt Leopold beschreven in christelijke termen (“Toen verscheen hij, onze Verlosser”) en de klarinetten impliceren dat Leopold het antwoord is op het gebed. De cantate eindigt met een feestviering, “Unseres Volkes”, compleet met trompetten en pauken, met het refrein “Lang leve de natie beschermende godheid!”. Een belangrijke (her)ontdekking. Warm aanbevolen.

Leopold Koželuch Cantata for the Coronation of Leopold II, “Hail to the Monarch” Vylíčilová Kořínek Moravec Martinů Prague Symphony Orchestra Marek Štilec cd Naxos 8.573787

http://www.stretto.be/2019/12/24/ontdek-4-symfonieen-en-de-vrijmetselaarscantate-joseph-der-menschheit-segen-en-klage-auf-den-todt-marien-theresien-van-leopold-kozeluch-op-het-label-naxos/