Mark Schaevers over Felix Nussbaum, Orgelman.

Uitgeverij De Bezige Bij publiceerde “Orgelman”, het boek van Mark Schaevers over de kunstschilder Felix Nussbaum. De muzikale opvoeding van de schilder liet zijn sporen na.

Ooit liep Gustav Mahler als kleine jongen het huis uit om te ontsnappen aan een hoogoplopende ruzie tussen zijn ouders. Op straat botste hij op een orgelman die  “O du lieber Augustin” speelde. Het immens contrast tussen dat onschuldig deuntje en de tragiek van een bepaalde realiteit zou Gustav voor altijd bij blijven. Het moet ongeveer zo’n orgelman geweest zijn die de schilder Felix Nussbaum in gedachten nam wanneer hij die diverse keren schilderde.

In 1998 werd in Osnabrück het Felix-Nussbaum-Haus geopend, Christoph Klimke, de schrijver van o.m. een theaterstuk over Herbert von  Karajan, schreef in  2010 een toneelstuk (choreografisches Theater) over zijn leven met muziek van James Reynolds (leerling van John Adams). Nu schreef Mark Schaevers een heuse monografie over het leven en werk van deze  intrigerende schilder. Felix Nussbaum is aan rehabilitatie toe.

Felix Nussbaum (1904-1944) was een  zoon van een amateurschilder uit een artistiek en muzikaal milieu van Reformjuden in Osnabrück.  Hun vakanties brachten de Nussbaums  door op het Duitse eiland Norderney en in het toen mondaine Oostende, jawel bij ons aan de Belgische kust. Na de Hamburgse Kunstgewerbeschule en de Berlijnse Vereinigten Staatsschulen für Freie und Angewandte Kunst waar de schlesischer Madonnenmaler Paul Plontke, César Klein en Hans Meid instonden voor zijn schildersopleiding, vestigde hij zich in Berlin-Wilmersdorf als kunstenaar. In het district Wilmersdorf woonde tijdens de Weimarrepubliek een groot aantal joden dus ook veel bekende joodse kunstenaars en schrijvers, o.a. ook George Grosz, Egon Erwin Kisch, die eveneens naar de Belgische kust (Bredene) vluchtte, Heinrich Mann, Anna Seghers en Arnold Zweig.  Nussbaum kreeg in 1932 een stipendium voor het verblijf in de Villa Massimo in Rome. Richard Strauss kreeg die overigens ook. Na Rome volgden San Remo, Bazel, Parijs en Oostende. Hij schilderde er havengezichten en zelfportretten. In september 1937 verlieten Felix en zijn vriendin Felka Oostende en verhuisden naar Brussel, waar zij  trouwden. Een jaar later  nam hij in Parijs deel aan de door Max Ernst opgezette expositie Freie Deutsche Kunst van de Freie Künstlerbund, gericht tegen de in hetzelfde jaar in München gehouden nazi tentoonstelling Entartete Kunst.

Op 10 mei 1940 werd hij door de Belgische autoriteiten gedeporteerd en geïnterneerd in een kamp in het Zuidfranse Saint Cyprien. Nussbaum diende bij de kampleiding een verzoek in naar Duitsland te mogen worden getransporteerd in het kader van de Rückführung ins Reich, en tijdens een oponthoud in een kazerne in Bordeaux, kon hij samen met zijn schoolvriend Carl Rabus uit Osnabrück, ontsnappen. Hij keerde terug naar Brussel, naar zijn echtgenote, maar op 10 juni 1944 werden de twee na verraad opgepakt en via de Mechelse Dossin kazerne op 31 juli 1944 met het laatste transport uit België, gedeporteerd naar Auschwitz. Naar wordt aangenomen werden ze daar in augustus 1944 vermoord. Brussel werd op 6 september 1944 door de geallieerden bevrijd…

Felix Nussbaum kwam in het kielzog van de schrijvers Joseph Roth, Stefan Zweig, Egon Erwin Kisch, Hermann Kesten, Ernst Toller, Irmgard Keun, Arthur Koestler, Lou Eisler en Willi Münzenberg naar Oostende. Zij allen verbleven in Oostende en Bredene en over dit onderwerp schreef Mark Schaevers trouwens in 2003  “Oostende, De Zomer Van 1936” (uitg. Atlas). Oostende had toen  een boeiend cultuurleven door o.a. de schilders Spilliaert, Ensor, Permeke en Labisse, de concerten van de kursaal, de club du cinéma en, aangaande Nussbaum,  door de Brusselse maar in Oostende wonende huisarts en kunstschilder Victor De Knop. Die  bezocht nl. Van den Berghe en De Smet in het Nederlandse Blaricum waar de stijlverwantschap met Henri Le Fauconnier, Jan Sluyters en de Duitse houtsnijder Heinrich Campendonk, naderhand interesse opwekte voor  de nieuw zakelijke stijl van Nussbaum. Victor De Knop was overigens in 1928 samen met Firmin Cuypers en Désiré Steyns,  een van de medestichters van de Oostendse “Club du cinéma”, een initiatief van de bekende cineast en documentairemaker Henri Storck.

Steyns was op zijn beurt bestuurder tentoonstellingen van de Oostendse kursaal en door zijn toedoen en door de steun van de zeer erudiete schrijver, dichter, kunstcriticus en kunsthandelaar Henri Vandeputte,  die artistiek directeur was van het Casino-Kursaal,  kon Nussbaum tijdens de grote evenementen van het seizoen, nl de concerten van de wereldberoemde spinto tenor Giovanni Martinelli van de Metropolitan Opera in New York en van de legendarische, Weense sopraan Maria Nemeth, exposeren in de prachtige leeszaal van toen. In 1949 hield een toen 20 jarige zoon van een drukker overigens  zijn eerste expositie als schilder in de boekhandel van Henri Vandeputte in Oostende. Die jonge man heette Hugo en de drukker heette…Claus. U ontdekt  in het boek verder de vrouw van Carl Rabus, Erna Adler, Luigi Malipiero en  Jean Améry, u komt in contact met de Münchener Sezession, de Berliner Sezession, de Neue Secession en  die Freie Secession in Berlijn.

Hoewel niet expliciet, is muziek permanent latent aanwezig in zijn leven, zijn oeuvre en dus ook in het boek. Zo lezen we bv. dat een plan opgesteld door de Belgische pianist en componist Jacques Stehman, eind mei 1942, naar de VJB, de vereniging van de Joden in België, werd  gestuurd. Het voorzag op donderdagmiddag en zondagmorgen kunstonderwijs voor een honderdtal leerlingen. Voor de afdeling beeldende kunsten had men beeldhouwer en tekenaar Idel Ianchelevici op het oog, voor harmonieleer onze jonge talentvolle dirigent Daniel Sternefeld, en in Felix Nussbaum werd  een geschikte docent sierkunst gezien. Het heeft helaas niet mogen zijn.

Omdat op Nussbaums doek De triomf van de dood enkele noten van de populaire “Lambeth Walk” te zien zijn, besluit Mark Schaevers  zijn boek met een veelzeggende en toch relativerende uitweiding over de mogelijke betekenis er van. We lezen, “Kabaal is er genoeg bij de ondergang. Bij Brueghel ontbrak de muziek niet (de luit der geliefden, de viool van het skelet, het geblaas van benige herauten, het paukengetrom, de doodsklok), maar bleef ze wel op de achtergrond.

Nussbaum sluit voluit aan bij de traditie van de middeleeuwse dodendans: het skelettenorkest domineert zijn schilderij – “Die Gerippe spielen zum Tanz” is een alternatieve benaming voor dit doek. Ter voorbereiding heeft Nussbaum niet alleen een compositieschets gemaakt, er is ook een reeks studies van musicerende geraamten bewaard. Hij heeft werk gemaakt van zijn laatste werk. Wat voor kabaal hoort er bij de ondergang? Helemaal vooraan tussen het puin ligt een flard van een partituur: werk voor drie klarinetten, grote en kleine trom, viool, bugel en fluit? Tussen de macabere orkestleden heeft ook een orgelman plaats gevat, maar hij speelt niet, wil de muziek zelfs niet horen, hij bedekt een oor met zijn benige hand. Half geraamte, half levend mens is deze orgelman, met wie Nussbaum zich ongetwijfeld weer identificeert. De wantrouwige blik die hij zichzelf al dikwijls op zijn schilderijen gaf, heeft hij nu uitgeleend aan de fluitist van het gezelschap: het geraamte met de opzichtige vleugels naast Orgelman, de joodse doodsengel Azraël.”

De grote “Sammlung Felix Nussbaum” kan u ontdekken in de  permanente expositie in het Felix-Nussbaum-Haus in Osnabrück, ontworpen door de Amerikaanse architect Daniel Libeskind en het magistraal boek van Mark Schaevers is een monument dat u absoluut, absoluut  moet lezen.

Mark Schaevers Orgelman Felix Nussbaum. Een schildersleven Uitg. De Bezige Bij 456 bladz. ISBN  9789023498629

http://www.stretto.be/2020/04/25/pauline-broekema-tekenares-van-montparnasse-het-eigenzinnige-kunstenaarsleven-van-edith-auerbach-een-uitgave-van-arbeiderspers-niet-te-missen/