Franz Lehár, “The Operetta Edition”, vanuit de Seefestspiele Mörbisch, o.l.v. Rudolf Bibl en Wolfdieter Maurer, op het label Oehms.

Deze operette-editie presenteert populaire werken van Franz Lehár, die tussen 2002 en 2010, zijn opgenomen op het befaamd Mörbisch Festival. De editie bevat hoogtepunten uit “Das Land des Lächelns”, “Giuditta” (compleet), “Die lustige Witwe”, “Der Graf von Luxemburg” en “Der Zarewitsch”.Het Festival (Seefestspiele) in Mörbisch am See aan de Neusiedler See in de Oostenrijkse deelstaat, Burgenland, is een festival waar sedert 1957, jaarlijks in de zomermaanden, operettes worden opgevoerd. Met ongeveer 150.000 bezoekers zijn de Mörbisch Seefestspiele, ‘s werelds grootste operettefestival. Naast operettes worden met tussenpozen ook musicals opgevoerd. Bovenal wordt het natuurlijk decor van de Neusiedler See altijd in de decorontwerpen verwerkt.Naast Leo Fall (1876-1925), Emmerich Kálmán (1882-1953), Ralph Benatzky (1884-1957), Oscar Straus (1870-1954), Nico Dostal (1895-1981), Fred Raymond (1900-1954) en Robert Stolz (1880-1975), behoorde Franz Léhar (1870-1948) (foto’s), tot het Zilveren operettetijdperk, dat volgde op het Gouden operettetijdperk van Johann Strauss jr. (1825-1899), Carl Zeller (1842-1898), Franz von Suppé (1819-1995), Richard Heuberger (1850-1914) en Karl Millöcker (1842-1899). Het tijdperk van Léhar kende de gloriejaren van Richard Tauber, Fritzi Massary en Vera Schwarz, de komiek, Max Pallenberg, Jan Kiepura en Joseph Schmidt.“Giuditta”, een “musikalische Komödie” in vijf taferelen op een libretto van Fritz Löhner en Paul Knepler, was de laatste operette die Lehár componeerde, en tevens zijn werk dat het meest aanleunde bij de klassieke opera. De première vond plaats op 20 januari 1934 in de Wiener Staatsoper, o.l.v. Clemens Krauss. De hoofdrollen werden gezongen door Jarmila Novotná als Giuditta en Richard Tauber als Octavio. De eerste uitvoering van de Franstalige versie was in mei 1935, in de Muntschouwburg in Brussel, in het bijzijn van de componist. De dirigent was Maurice Bastin, maar Lehár dirigeerde zelf het symfonisch gedeelte van de vierde scène. De Franse tekst was van de hand van André Mauprey (1881-1939).“Das Land des Lächelns”, een romantische operette uit 1929, op een libretto van Ludwig Herzer en Fritz Löhner-Beda, was een van Lehárs latere werken. De titel verwees naar de veronderstelde Chinese gewoonte om wat er ook gebeurt in het leven, te glimlachen. Het hoofdpersonage, Prins Sou-Chong, zingt het lied, “Immer nur lächeln”. Het werk werd oorspronkelijk geproduceerd onder de titel “Die gelbe Jacke”. Deze werd gepresenteerd in het Theater an der Wien op 9 februari 1923, met Hubert Marischka als Sou-Chong. Het was geen groot succes en Lehár herzag het later, onder de nieuwe titel “Das Land des Lächelns”. Deze werd voor het eerst opgevoerd in het Metropol Theater in Berlijn, op 10 oktober 1929. Tauber nam zijn rol opnieuw op in Londen (1931 en 1932). ), Zuid-Afrika (1939) en New York (1946), evenals in Wenen in 1930 (opnieuw in het Theater an der Wien) en in 1938 (bij de Weense Staatsopera en ook in Praag). Tauber zong het ook in Londen en op tournee door Groot-Brittannië tussen 1940 en 1942.“Die lustige Witwe”, op een libretto van Victor Léon en Leo Stein, naar het blijspel L’attaché d’ambassade van Henri Meilhac, werd voor het eerst opgevoerd in het Theater an der Wien op 30 december 1905. “Der Graf von Luxemburg”, op een libretto van Alfred Willner, Robert Bodanzky en Leo Stein, ging in première in het Theater an der Wien op 12 november 1909 en was meteen een succes. Het werd nieuw leven ingeblazen in Duitsland en vertaald in andere talen voor succesvolle buitenlandse producties, waaronder in Frankrijk en in Engelstalige landen.“Der Zarewitsch”, op een libretto van Heinz Reichert en Bela Jenbach, was gebaseerd op het gelijknamig toneelstuk van de Poolse auteur, Gabriela Zapolska. De plot was losjes gebaseerd op het waargebeurd verhaal, over de zelfopgelegde ballingschap van de zoon van Peter de Grote , Alexei, die het bevel van zijn vader om monnik te worden of interesse in het leger te tonen, negeerde, door naar zijn broer te vluchten. Lehár componeerde het werk speciaal voor Richard Tauber, de veelgeprezen, Oostenrijker tenor. Het werk kreeg zijn eerste uitvoering in de Deutsches Künstlertheater in Berlijn op 21 februari 1927, met Tauber en Rita Georg in de hoofdrollen.Rudolf Bibl (1929-2017), geboren in Wenen, studeerde piano, klarinet en compositie aan de Weense Muziekacademie en volgde Hans Swarowsky’s dirigentenklas. Vanaf 1948 was hij repetitor bij de opera van Graz. In 1952 verhuisde hij naar Innsbruck als kapelmeester en keerde daarna terug naar Graz als de eerste operettedirigent. Vanaf 1960 werkte hij bij het Raimund Theater in Wenen en bij het Theater an der Wien. Van 1969 tot 1973 was hij muzikaal leider in Trier, van waaruit hij gastoptredens maakte in Frankrijk en Luxemburg.Vanaf 1973 was hij dirigent bij de Weense Volksoper, waar hij meer dan 2.200 uitvoeringen leidde, waaronder “Der Vogelhändler”, “Die Csárdásfürstin” en “Die Fledermaus”. Van 1995 tot 2008 was hij muzikaal leider van de Mörbisch Seefestspiele, waarvoor hij zijn eigen orkest, het Symphonieorchester Burgenland, samenstelde, bestaande uit studenten van het Joseph Haydn Conservatorium van de Provincie Burgenland. Buitenlandse gastoptredens en concertreizen brachten hem naar Japan, Italië, Duitsland en Frankrijk, onder meer naar de Staatsopera van Berlijn en de Opéra Bastille in Parijs. Bij de Weense Staatsopera dirigeerde hij van 1999 tot 2003, “Die Fledermaus” en “Die lustige Witwe”.Bibl bleef tot het einde nauw verbonden met de Weense Volksoper. In mei 2016 dirigeerde hij drie uitvoeringen van Kálmáns Csárdásfürstin als onderdeel van een gastoptreden in Tokio , zijn laatste dirigeren was een uitvoering van Die Fledermaus op 1 januari 2017. Volgens het gezelschap dirigeerde hij 2.273 uitvoeringen in de Weense Volksoper.De Oostenrijkse dirigent, Wolfdieter Maurer (°1941), eveneens geboren in Wenen, was aanvankelijk dirigent van de Wiener Sängerknaben, en was daarna als dirigent verbonden aan de stadsschouwburg van Klagenfurt, het theater van Bazel en de staatstheaters in München, Braunschweig en Oldenburg. Tussen 1979 en 1991 was hij algemeen muziekdirecteur, dirigent van het Stedelijk Filharmonisch Orkest en artistiek leider van het Mozart Festival in Würzburg, evenals docent aan de plaatselijke Musikhochschule. Van 1998 tot 2001 was hij chef-dirigent van het Slowaaks Nationaal Theater in Bratislava.

Inhoud en uitvoerders:cd 1 Das Land des Lächelns (2002) :

Elisabeth Flechl, Dietmar Kerschbaum, Sangho Choi, Yuko Mitani, Toru Tanabe

Morbisch Festival Orchestra, Mörbisch Festival Choir Rudolf Biblcd 2 Giuditta (5 scènes) (2003):

Markus Heinrich, Julia Bauer, Mehrzad Montazeri, Natalia Ushakova

Mörbisch Festival Choir, Morbisch Festival Orchestra Rudolf Biblcd 3 Die lustige Witwe (2005):

Daniel Serafin, Alfred Sramek, Peter Branoff, Alexander Klinger, Marwan Shamiyeh, Mirjana Irosch, Birgid Steinberger, Margarita De Arellano, Mathias Hausmann, Bernd Ander, Johann Reinprecht

Morbisch Festival Orchestra, Mörbisch Festival Choir Rudolf Bibl

cd 4 Der Graf von Luxemburg (versie van 1937, 2006):

Marko Kathol, Ana Maria Labin, Michael Suttner, Alfred Sramek, Franz Leitner, Stephan Paryla, Johannes Beck, Ruth Ohlmann, Marika Lichter

Mörbisch Festival Choir, Morbisch Festival Orchestra Rudolf Biblcd 5 Der Zarewitch (2010):

Alexandra Reinprecht, Sieglinde Feldhofer, Marko Kathol, Tiberius Simu, Ciro De Luca, Harald Serafin

Mörbisch Festival Choir, Morbisch Festival Orchestra Wolfdieter MaurerFranz Lehár The Operetta Edition Das Land des Lächelns Giuditta Die lustige Witwe Der Graf von Luxemburg Der Zarewitsch Seefestspiele Mörbisch 5 cd Oehms OC1902

 

https://www.stretto.be/2017/04/24/franz-lehar-operette-en-ontkenning-in-wenen/