“Cusanus, Over de wetende onwetendheid”, uitgegeven door Damon. Indrukwekkend!

In “De docta ignorantia” bekende Cusanus de neoplatonische negatieve theologie, vooral benadrukt door Pseudo-Dionysius, die alle positieve uitspraken over God als ontoereikend en daarom misleidend verwierp. Hij wendde zich niet tot God door voor zichzelf kennis over hem op te eisen, maar eerder door kennis te vergaren over zijn eigen onwetendheid en daardoor een ‘geïnformeerde onwetendheid’ (docta ignorantia) over zichzelf. “De docta ignorantia” is nu voor het eerst in het Nederlands vertaald.

Na o.a. Albertus Magnus, Bonaventura en Thomas van Aquino in de 13de eeuw en Meester Eckhart, Johannes Duns Scotus en Willem van Ockham in de 14de eeuw, was de Duitse theoloog, filosoof, wiskundige, astronoom, humanist en jurist, Nicolaus van Cusa ofwel Cusanus, wellicht de belangrijkste theoloog/filosoof van de 15de eeuw. De 15de eeuw was er één vol sociale, politieke en religieuze onrust. Een eeuw die in meerdere opzichten als ‘overgangseeuw’ bestempeld kan worden. Tegen die achtergrond vormde de filosoof en theoloog Nicolaus Cusanus/von Cusa/von Kues (1401-1464) in zijn denken, de belichaming van die overgang. Leunde hij enerzijds nog op de klassieke en middeleeuwse traditie, anderzijds had hij ook verrassend moderne ideeën en was hij in een aantal opzichten zijn tijd zelfs vér vooruit. Zo betoogde hij bv. dat de aarde niet het centrum van het heelal is en dat zij beweegt. O.a. Giordano Bruno, Pico della Mirandola en Leonardo da Vinci werden beïnvloed door zijn werk!

In zijn hoofdwerk, “Over de wetende onwetendheid” (“De docta ignorantia”) stelde Cusanus dat de menselijke geest altijd onwetend zal blijven over de absolute waarheid (God) en dat het bewustzijn van die onwetendheid de basis vormt van het verkrijgen van ware wijsheid. Volmaakte kennis is slechts voorbehouden aan God, maar we kunnen wel proberen deze volmaakte kennis zo dicht mogelijk te benaderen. Zo kan de ‘wetende onwetendheid’, samen met vermoedens en geloof, de mens dichter bij God brengen.

In zijn “De docta ignorantia” ontwikkelde hij de fundamenten van zijn theologie en een nauw verwante speculatieve kosmologie. Hij droeg het werk, voltooid op 12 februari 1440 in Kues aan de Moezel (tegenwoordig Bernkastel-Kues), op aan kardinaal Giuliano Cesarini, met wie hij bevriend was. De uitdrukking ‘docta ignorantia’ (“Über die belehrte Unwissenheit“) verwees naar een gnoseologische doctrine, die de nadruk legt op het structureel onvermogen van de mens om de waarheid te kennen. Gnoseologie is nl. de discipline van de filosofie, die zich bezighoudt met de fundamenten en de reikwijdte van menselijke kennis. Cusanus stelde dat de menselijke geest wordt gekenmerkt door het feit dat hij relaties opbouwt tussen de dingen, zichzelf beweegt die behoren tot kwantiteit en kwaliteit en tussen dingen die tegengesteld zijn. Maar de waarheid heeft noch kwaliteit, noch kwantiteit, en is het oneindig samenvallen van de tegenstellingen.

De geest is dus vanwege zijn eindigheid niet geschikt om de waarheid te kennen. De doctrine van “geleerde onwetendheid” kwam voort uit Nicolaas van Cusa’s bewerking van Dionysius’ Mystieke Theologie, nl. dat God alleen maar beschreven kan worden in termen van negatieve theologie, d.w.z. door te benoemen wat hij niet is. In tegenstelling tot de scholastische gnoseologie, berustte de bewering op het inzicht dat er geen correspondentie kan bestaan tussen intellect en dingen. In de 16de eeuw raakte deze opvallende leer vooral in Frankrijk wijdverspreid.

De oude filosoof Socrates benadrukte reeds zijn kennis van zijn onwetendheid. Daarmee bedoelde hij niet het opgeven van kennis, maar eerder een realistische inschatting van de eigen onwetendheid als uitgangspunt voor het streven naar kennis. Hij die zijn onwetendheid heeft erkend, kan onderricht ontvangen. De laatantieke kerkvader Augustinus van Hippo, was de eerste die de uitdrukking docta ignorantia in een brief gebruikte. Hij schreef: ‘Er is, om het zo te zeggen, in ons een aangeleerde onwetendheid, maar onderwezen door de Geest van God, die onze zwakheid te hulp komt’. Hij verwees naar de onmogelijkheid van een alomvattende kennis van God. Onwetendheid die door goddelijke genade wordt onderwezen, is echter mogelijk. ‘Geïnstrueerde onwetendheid’ behoort daarom tot de negatieve theologie, die wijst op de ontoereikendheid van alle positieve uitspraken over God en zich bijgevolg beperkt tot uitspraken over wat God niet is.

De meest prominente vertegenwoordiger van deze richting was de laatantieke christelijke neoplatonist, Pseudo-Dionysius Areopagita. Hij geloofde dat, door zonder kennis (agnōstōs anatathēti), boven zichzelf uit te stijgen, de mens tot op zekere hoogte een ervaring van God kon bereiken. In de 13de eeuw nam de Franciscaanse theoloog Bonaventura dit idee over. Met aangeleerde onwetendheid bedoelde hij de verheffing van de geest, die zich van alles heeft losgemaakt en alle ideeën heeft ontkend, in de duisternis, die nodig is voor de vereniging met God. Bonaventura verwees daarbij ook naar Pseudo-Dionysius, die weliswaar de uitdrukking ‘onderwezen onwetendheid’, niet gebruikte.

In “De docta ignorantia” verwierp Nicolaas alle positieve uitspraken over God als ongepast en daarom misleidend in de geest van negatieve theologie. Net als Bonaventura wendde hij zich tot God, niet door te beweren kennis over hem te hebben of te kunnen verkrijgen, maar door kennis te verwerven over zijn eigen onwetendheid en dus een ‘onderwezen onwetendheid’ over zichzelf. In tegenstelling tot Augustinus en Bonaventura, beeldde hij de instructie die de onwetende ontvangt weliswaar niet af als de zuivere genade van God, maar als de vrucht van de inspanningen van de menselijke geest, die zichzelf overstijgt in de zoektocht naar waarheid en wijsheid.

De door Nicholas ontwikkelde ‘regel van aangeleerde onwetendheid’ stelt dat je nooit kennis van een absoluut maximum kan bereiken door te kijken naar iets dat kwantitatief of kwalitatief kan worden verhoogd of verlaagd. Door zijn aard kan de menselijke geest (ratio) echter alleen omgaan met objecten die kunnen toenemen of afnemen, dat wil zeggen relatieve objecten, aangezien zijn activiteit een vergelijking is van het bekende met het onbekende. Op het gebied van de geest bestaan er onder de concrete objecten die voor verbetering vatbaar, zijn slechts graden van benadering, geen absolute gelijkheid en geen precisie. God als het Absolute en Oneindige is daarom fundamenteel ontoegankelijk voor het begrip.

Volgens de overtuiging van Nicholas is de rede (intellectus) hoger dan de rede, omdat deze in staat is de grenzen van intellectuele activiteit te onderkennen. Maar ook deze is eindig en kan daarom, volgens De docta ignorantia, geen vooruitgang boeken in de richting van werkelijke kennis van God. Het begrijpt niet echt het paradoxale samenvallen van tegenstellingen in God, de coïncidentia oppositorum. Maar omdat het tegelijkertijd ‘iets goddelijks’ is, kan het op zijn minst de goddelijke waarheid ‘zien’ en ‘aanraken’. Later, in De coniecturis (rond 1442), in de kleine werken geschreven in de periode 1445–1447, en vooral in De visione dei (1453), kwam Nicolaas tot een optimistischer inschatting van de mogelijkheden van de rede.

Paradoxaal genoeg dacht Nicholas dat iemand die over zijn onwetendheid onderwees, ‘op onbegrijpelijke wijze het onbegrijpelijke kon omarmen’. Terwijl hij de hopeloosheid benadrukte van alle rationele pogingen met betrekking tot de kennis van God, beschouwde hij de kennis van de wereld als een proces, als een onvoltooid proces van het benaderen van de waarheid, dat gepaard ging met een toename van het kennisvermogen: “Hoe dieper we in deze onwetendheid worden onderwezen, hoe dichter we bij de waarheid zelf zullen komen”. “Cusanus, Over de wetende onwetendheid”, werd vertaald door Gert den Hartogh en voorzien van een buitengewoon interessant voorwoord en inleiding door Inigo Bocken. Niet te missen!

Symposium:

In 2024 organiseert het Titus Brandsma Instituut & partners een meerdaagse symposium in Deventer, “In de voetsporen van Cusanus: De bursa cusana en het veelstemmig samenleven”.

Comité van Aanbeveling:

Sophie van Bijsterveld, politica en hoogleraar

Clemens Hogenstijn, stadshistoricus van Deventer

James van Lidth de Jeude, voormalig burgemeester Deventer

José Sanders, rector magnificus Radbouduniversiteit

Arie Slob, politicus en historicus

Jan Terlouw, politicus en literator

Rik Torfs, ere-rector van de KU Leuven

Al sinds het groot Cusanus-evenement in 2001 in Deventer, werden in deze stad initiatieven genomen om het maatschappelijk gesprek tussen verschillende levensbeschouwelijke groepen op gang te brengen: lezingen, forumgesprekken enz. De inspiratie van de 15de eeuwse denker Nicolaus Cusanus, die nauw verbonden was met de Moderne Devotie en in Deventer de bursa cusana stichtte, gaf een heel eigen accent aan dit maatschappelijke gesprek, waarbij ook levensbeschouwelijke en spirituele dimensies hun plaats kregen. In zijn tijd zette Cusanus, gedreven door idealen van de Moderne Devotie, zich in voor het gesprek tussen de verschillende religies en culturen.

Deze nieuwe Nederlandse vertaling van Cusanus door Gert den Hartogh was nu de aanleiding om opnieuw een Cusanus-evenement te organiseren waarin ook verschillende levensbeschouwelijke en culturele partners van de stad opnieuw dit gesprek met elkaar zullen aangaan. Publieke lezingen, een forumdebat, stadswandelingen langs de verschillende levensbeschouwelijk belangrijke en historische locaties en een concert met het wereldberoemd ensemble Graindelavoix onder leiding van Björn Schmelzer met meerstemmige muziek uit de tijd van Cusanus en de Moderne Devotie, zijn de verschillende elementen die dit evenement zullen kleuren. Het ensemble zal daarenboven speciaal voor dit evenement een programma samenstellen, dat past bij Cusanus en de magistrale meerstemmigheid van de 15de eeuw.

Bedoeling van het evenement is om zoveel mogelijk betrokken, nieuwsgierige en geëngageerde burgers van Deventer en daarbuiten de gelegenheid te geven om de ruimte van dit bijzondere gesprek te leren kennen en te laten nadenken over actuele maatschappelijke problemen, tegen de achtergrond van de rijke geschiedenis van de stad, die ook voor vandaag inspirerend kan werken. Tevens hopen wij dat dit evenement bijdraagt aan een steviger netwerk van maatschappelijke partners met levensbeschouwelijke insteek. Zo kunnen deze partners ook in de toekomst betrokken blijven bij het gesprek tussen burgers dat in de stad plaatsvindt. Het prestigieus Titus Brandsma Instituut Nijmegen, bekend omwille van de grote expertise op het gebied van de Moderne Devotie, is eindverantwoordelijk voor het evenement. De coördinator is Inigo Bocken.

Tickets zijn verkrijgbaar via   https://shop.eventix.io/d8d27ea8-783f-11ee-bdc3-6a57c78572ab/tickets?shop_code=d6ke957s

Inigo Bocken, hoogleraar mystieke theologie aan de prestigieuze Faculteit Theologie en Religiewetenschappen van de KU Leuven, is wetenschappelijk directeur van het Titus Brandsma Instituut te Nijmegen en assistent professor aan de Faculteit Filosofie, Theologie en Religiewetenschappen van de Radbouduniversiteit te Nijmegen. Zijn onderzoek richt zich op de historische relatie tussen mystiek, theologie en filosofie tegen de achtergrond van actuele debatten omtrent de plaats van religie en spiritualiteit in een (post)seculiere samenleving. Het kent drie zwaartepunten: het werk van Michel de Certeau sj en de discussies hierover in de hedendaagse theologie, de betekenis van de mystiek in het werk van Maurice Blondel en de receptie van Nicolaus Cusanus in de theologie van de 20ste eeuw. Inigo Bocken is Editor-in-chief van Studies in Spirituality en redacteur van Coincidentia. Zeitschrift für europäische Geistesgeschichte. Verder is hij sinds 2004, Alexander-von-Humboldt-fellow.

Cusanus, Over de wetende onwetendheid Vertaling Gert den Hartogh Voorwoord Inigo Bocken 312 bladz. uitg. Damon 9789463404075