


Van Händels 17, Engelse oratoria is Theodora uit 1750, uniek. Het verhaal is niet uit de Bijbel gehaald, maar speelt zich af in het christelijk tijdperk. Theodora speelt zich nl. af in Antiochië aan het begin van de 4de eeuw. Er is geen nationale triomf en het eindigt niet in vreugde. Aan het einde zijn de held en de heldin dood, verkeert de gemeenschap waarmee het publiek zich identificeert in levensgevaar, en is het slotrefrein in mineur. Op 65-jarige leeftijd produceerde Händel een werk dat voor het grootste deel van zijn publiek te radicaal en te complex was, maar nu wordt “Theodora” beschouwd als een referentie, krachtig en ontroerend. 
Een lid van de koninklijke familie vroeg Händel om “Esther” te presenteren in het theater waar zijn opera’s werden opgevoerd, maar de bisschop van Londen, Edmund Gibson (foto), stond niet toe dat Bijbelverhalen op het podium werden gespeeld. Daarom besloot Händel om Esther in concertvorm te presenteren als aanvulling op het operaseizoen van 1732, met de zangers die in de Italiaanse opera’s te zien waren, maar zonder decor of toneelactie, en in een herziene vorm in drie bedrijven met extra tekst van Samuel Humphreys. Het werk was enorm populair en zo werd het Engelse oratorium als vorm, bijna per ongeluk uitgevonden. Hij bracht essentiële elementen van de opera over naar het oratorium, dat hij Sacred Drama’s noemde. In 1735 gaf Händel de opera als genre op vanwege de afnemende publieke vraag en richtte zijn aandacht op grote religieuze composities. Het oratorium Theodora werd voor het eerst uitgevoerd in het Covent Garden Theatre op 16 maart 1750 en verraste de Londenaren duidelijk. Handel had immers een complete koerswijziging doorgevoerd in zijn onderwerpkeuze.
De grootse episodes van het Oude Testament, de glorieuze strijd van Salomo, Saulus of Judas Maccabeüs, zijn verdwenen: de jonge martelaar Theodora leidt noch een gemeenschap, noch troepen de strijd in. In een werk dat ver verwijderd is van het grootse spektakel van bijbelse oratoria, nodigt Händel ons uit getuige te zijn van het aangrijpende verhaal van een persoonlijk drama, een drama over het ontstaan van het christendom, gevoed door geweten, geloof en het verdriet dat daaruit voortvloeit.
Handel zelf, beschouwde Theodora als een van zijn belangrijkste werken. Hij toonde nog steeds opmerkelijke creatieve vaardigheden toen hij dit oratorium op zijn 65ste voltooide. Het zou zijn voorlaatste groot werk blijken te zijn, en het zou nog twee jaar duren voor hij zijn laatste groot oratorium, “Jephtha”, zou produceren. Hij componeerde zijn oratorium “Theodora” over de christelijke martelares en haar christelijk bekeerde Romeinse minnaar, Didymus, op een libretto van Thomas Morell (1703-1784) (foto) Die baseerde zich op “The Matyrdom of Theodora and Didymus” uit 1687 van Robert Boyle en op de Tragédie chrétienne, “Théodore, Vierge et Martyre”, uit 1646, van Pierre Corneille. De eerste uitvoering was in maart 1750, in het Covent Garden Theatre in Londen.
De voortekenen voor Theodora waren nochtans niet goed. Een week voor de eerste uitvoering op 16 maart 1750 kreeg Londen nl. te maken met een ongekende aardbeving. Veel mensen ontvluchtten Londen in paniek en waren nog steeds afwezig toen Händel een paar dagen later zijn seizoen opende. Dit en het feit dat een contemplatief verhaal over christelijke deugd met een tragisch einde, niet aansloeg bij het publiek, zouden de kleine opkomst verklaren bij de slechts drie uitvoeringen van Theodora dat seizoen. De joodse gemeenschap van Londen had weliswaar Händels oratorium “Judas Maccabaeus” uit 1747 verwelkomd, dat hij had gecomponeerd ter viering van de overwinning van de hertog van Cumberland op de Jacobieten in Culloden, en dat ook was gebaseerd op een libretto van Thomas Morell. Händel was dan ook teleurgesteld over de slechte ontvangst van “Theodora”.
De eerste cast van Theodora omvatte de alt-castraat Gaetano Guadagni (foto) voor wie Händel de rol van Didymus schreef. Het was ongebruikelijk dat Händel een castraatstem in zijn Engelse oratoria opnam, maar Guadagni was al met groot succes verschenen in uitvoeringen van “Messiah” en “Samson”, waarvoor Händel de oorspronkelijk door Susannah Cibber gezongen rollen had aangepast. In 1762 zou Guadagni nog de titelrol creëren in Glucks Orfeo in Wenen.
De personages in “Theodora” zijn Valens, de gouverneur van Antiochië, Septimius, een Romeinse soldaat, Theodora, een christen van adel (sopraan), Didimus, een Romeins officier, bekeerd door en minnaar van Theodora, Irene, een christen, vriendin van Theodora en een boodschapper. Het verhaal speelt zich af in de 4de eeuw in Antiochië, dat wordt bezet door het Romeins leger tijdens het bewind van Diocletianus en de laatste grote vervolging van christenen in het Romeinse Rijk. Het verhaal gaat over het nobel meisje, Theodora uit Alexandrië, dat door het christelijk geloof maagd wil blijven, en dat door de stadhouder tot prostitutie veroordeeld wordt omdat ze zich niet heeft willen offeren aan de goden van Rome. Ze wordt gered door de jonge (christen) soldaat, Didimus die haar kan laten ontsnappen door haar kleren met de zijne te ruilen.
In de eerste akte verkondigt de Romeinse gouverneur Valens, dat alle burgers ter gelegenheid van de verjaardag van keizer Diocletianus offers moeten brengen aan Jupiter/Jove (God, de Vader) en moeten deelnemen aan een feest ter ere van de keizer. Degenen die weigeren deel te nemen, worden gestraft of geëxecuteerd. Hij belast Septimius met het uitvoeren van zijn bevelen. Didymus, een Romeinse soldaat, vraagt dat degenen wiens geweten hen verbiedt deel te nemen, worden beschermd tegen straf. Maar Valens is onbuigzaam en twijfelt aan de loyaliteit van de soldaat aan Rome. Didymus wendt zich nu tot Septimius met hetzelfde argument. Septimius vermoedt nl. dat Didymus in het geheim een christen is, en geeft toe dat ook hij liever barmhartigheid zou betonen aan degenen die weigeren feest te vieren. Hij is echter een trouwe Romein en zal zijn bevelen uitvoeren.
In de christelijke gemeenschap bidden Theodora en Irene. Een boodschapper arriveert en waarschuwt hen voor de bevelen van Valens. Maar Irene leidt de gemeenschap in een herbevestiging van hun geloof. Septimius arriveert en waarschuwt hen voor de straf waarmee ze worden geconfronteerd – een straf die Theodora graag omarmt. In plaats van haar te laten executeren neemt Septimius haar echter mee naar een bordeel waar ze zal worden geprostitueerd door de Romeinse soldaten. Didymus komt te laat om haar te redden, en gaat op weg om haar vrij te laten. Het koor bidt tot de hemel voor zijn succes.
In het tweede bedrijf gaan de Romeinen door met hun vieringen. Valens stuurt Septimius naar Theodora met een aanbod van clementie als ze voor zonsondergang een offer brengt. In haar gevangeniscel wacht Theodora angstig op haar lot. Maar contemplatie van de hemel die haar na de dood wacht, vrolijkt haar op. Didymus haalt Septimius over om hem Theodora’s cel binnen te laten en haar te redden, terwijl Irene bidt dat God Theodora zal beschermen. Didymus gaat de cel binnen en vindt Theodora slapend. Ze wordt wakker met een schrik voor het ergste, maar Didymus onthult zijn identiteit en kalmeert haar. Ze smeekt hem om haar te doden, maar hij kan het niet. In plaats daarvan kleedt hij haar in zijn uniform en, vermomd als soldaat, ontsnapt Theodora uit de cel en laat Didymus in haar plaats. De christenen houden een wake, onder leiding van Irene.
Nog steeds biddend voor de vrijlating van Theodora, is Irene in de 3de akte verrast haar metgezel te zien aankomen gekleed in Didymus’ kleren. De christenen vieren haar veilige terugkeer, hoewel Theodora zelf bezorgd is om de veiligheid van Didymus. Een boodschapper arriveert om hen te vertellen dat Didymus ter dood is veroordeeld en dat Theodora nu te veroordeeld is om te sterven als ze wordt gepakt. Ondanks Irene’s pogingen om haar in bedwang te houden, haast Theodora zich naar het Romeinse hof om zichzelf aan te bieden in plaats van Didymus. Valens veroordeelt Didymus ter dood als Theodora arriveert om hem te redden. Beiden bieden aan om in plaats van de ander te sterven, maar Valens laat hen niet onderhandelen over hun eigen lot en stuurt hen beiden ter executie. Als ze samen gelukzalig de onsterfelijkheid binnengaan, doet de christelijke gemeenschap mee aan een lofzang.

De Argentijnse dirigent, gespecialiseerd in barokmuziek, Leonardo García Alarcón (1976), verhuisde in 1997, na zijn pianostudies in Argentinië, naar Europa om er muziektheorie en klavecimbel te gaan studeren bij Christiane Jaccottet aan het Centrum voor Oude Muziek van Genève. Als lid van het Elyma Ensemble werd hij assistent van Gabriel Garrido voor hij in 2005, zijn eigen ensemble oprichtte, Cappella Mediterranea. Alarcón brengt graag vergeten werken onder de aandacht. Zo blies hij nieuw leven in Giuseppe Zamponi’s opera “Ulysse” met meerdere uitvoeringen in 2006 en Michelangelo Falvetti’s “Il Diluvio Universale”, meermaals uitgevoerd in 2010. Tevens in 2010 begon zijn driejarige residentie aan het Centre Culturel de Rencontre d’Ambronay.
Ook werd hij artistiek leider en chef dirigent van het Chœur de chambre de Namur. Alarcón is een vaste gast in opera’s, concertzalen en op festivals over de hele wereld, waaronder het Festival d’Aix-en Provence, de Opera van Lyon, Ambronay Festival, Konzerthaus Wien, Teatro Colón in Buenos Aires, Grand Théâtre in Genève, Theatre Zarzuela in Madrid, Amsterdam Concertgebouw, Montecarlo Opera, Théâtre des Champs-Elysées in Parijs, Wigmore Hall in Londen, Fondation Gulbenkian in Lissabon, het Festival de la Chaise-Dieu en het Teatro Maximo in Palermo. Alarcón leidt de klavecimbelklas en de afdeling barokzang aan het conservatorium van Genève.


George Frideric Handel Theodora Millenium Orchestra Chœur de Chambre de Namur Leonardo García Alarcón 3cd Ricercar RIC485