Magnifieke “Arie e Cantate per Contralto” en “Musica sacra” van Vivaldi door Delphine Galou en de Accademia Bizantina o.l.v. Ottavio Dantone, op het label Naïve.

In 1930 kocht de Italiaanse nationale bibliotheek in Turijn, de verzameling handschriften van Antonio Vivaldi. Zonder dit zouden we voor altijd slechts een gedeeltelijk beeld hebben van het omvangrijk oeuvre van deze misschien wel belangrijkste, Italiaanse componist van de 18de eeuw. Bekend als de Foà en Giordano collectie (zeven volumes, 15.000 bladz.), naar de donateurs Roberto Foà en Filippo Giordano, die de verzameling van Graaf Giacomo Durazzo (1717-1794) in memoriam van hun overleden kinderen aankochten (foto), bevat deze verzameling handschriften van bijna 450 werken van Vivaldi, wel driehonderd concerti voor verschillende instrumenten en veel vocale muziek, zowel wereldlijk als religieus. Op enkele uitzonderingen na is dit de enige en belangrijkste bron die we hebben van zijn religieuze muziek en opera’s. Tot voor kort was veel van deze muziek sedert de 19de eeuw, nooit eerder gehoord door het publiek. 

In 2000 begon het Frans platenbedrijf Naïve een project met het “Istituto per i Beni Musicali” in Turijn om deze grote muziekcollectie in zijn geheel op te nemen (“Progetto Vivaldi”). Tot op heden zijn 60 titels uitgegeven, uitgevoerd door de opmerkelijkste specialisten in de historische uitvoeringspraktijk van vandaag. Het opnameproject van de “Vivaldi Edition” biedt het publiek meer dan honderd uur luisterplezier en de mogelijkheid om een schat aan fantastische werken te ontdekken.

De Accademia Bizantina (foto) heeft opnieuw getekend voor de 59ste en 60ste opname van deze Vivaldi-editie. De beide cd’s presenteren opera-aria’s, religieuze composities en cantates. De soliste is de schitterende contra-alt, Delphine Galou, die onlangs de prestigieuze Gramophone Award won. Dank zij het hele gamma aan mentale gevoelens die Delphine Galou in Vivaldi’s muziek uitdrukt, prachtig begeleid door de Accademia Bizantina o.l.v. Ottavio Dantone, schittert de buitengewone creativiteit van de Venetiaanse meester opnieuw.

Vivaldi, de meester van de menselijke emoties, van de kerk tot het operahuis, van tragedie tot vreugde, had het onmiskenbaar talent om onmiddellijk herkenbare gevoeligheid en expressiviteit, in onnavolgbare kleuren en met slechts enkele noten, te verklanken. Voor de eerste keer worden twee delen van de Vivaldi-editie (in dit geval de 59ste en 60ste) tegelijkertijd uitgebracht. Het recital ‘Musica sacra’ bestaat uit zes werken met zeer uiteenlopende thema’s en stijlen, die symbool staan voor de rijkdom van de gedrevenheid van de religieuze muziek van Vivaldi. Op de cd staan Deus tuorum militum RV612, het Vioolconcerto in D RV 582, Salve Regina, RV 618, “Non in pratis aut in hortis” RV641 en Regina coeli, R.615.

De religieuze muziek van Vivaldi was heel veelzijdig en afwisselend. Afhankelijk van het aantal musici waarover hij beschikte, componeerde hij zijn leven lang, religieuze muziek voor solisten, een koor en een of twee orkesten, voor solisten, twee koren en twee orkesten, voor een solo stem met orkest, of voor één solo stem met enkel continuo. In het hier opgenomen “Deus Tuorum Militum” (RV 612) (God, jij die voor de soldaten bent) bv. respecteerde Vivaldi de definitie van de hymne zoals de Gregoriaanse traditie het wilde, dat wil zeggen, hij gebruikte dezelfde muziek voor elke strofe en voegde er een instrumentaal refrein aan toe dat diende als een refrein tussen strofen en de herhalingen, evenals een introductie en een conclusie. De stemmen worden ondersteund door de continuo en een concert hobo.

Antonio Vivaldi (1678-1741) zou 94 opera’s hebben gecomponeerd, maar minder dan 50 titels waarvan de partituren van slechts ongeveer 20 geheel of gedeeltelijk. overleefde, zijn daadwerkelijk geïdentificeerd. Bovendien heeft de praktijk van het doen herleven van werken onder een andere titel en het creëren van pasticcii, musicologen in verwarring gebracht. Alle opera’s van Vivaldi werden omschreven als dramma per musica, wat ongeveer gelijk stond aan opera seria.

Op de andere cd “Arie e Cantate per Contralto en Musica sacra per alto” (vol.60), staan drie cantaten en diverse aria’s uit vijf opera’s:

-de cantate RV684 ‘Cessate, omai cessate’ voor alt & strijkers

-“Liquore ingrato” (uit “Tito Manlio”, RV738)

-“L’innocenza sfortunata” (uit het dramma per musica, “Tieteberga” (1717))

-Care pupille, aria di La Candace o siano li veri amici (uit het Drama per musica ,“La Candace, o siano Li veri amici”, RV704 1720))

-de  cantate RV685 ‘O mie porpore piü belle’

-“Andrò fida e sconsolata” (uit het dramma per musica, “Tito Manlio”, RV738)

-“Sì, si bel volto che v’adoro”, (uit “La Candace o siano li veri amici”)

-Semplice non temer (uit het dramma per musica , “La verità in cimento” (1720))

-de cantate “Qual in pioggia dorata i dolci rai”, RV686

-“Per dar pace al tuo dolore” (uit “La Candace”)

-È pur dolce ad un’anima amante (uit “Il Giustino”)

Vivaldi componeerde “Tito Manlio” op een Italiaans libretto van Matteo Noris voor het huwelijk van de gouverneur van Mantua, Philip van Hessen-Darmstadt, en de weduwe van de Hertog van Toscane, Eleonora di Guastalla. Philip was een groot liefhebber van muziek. Toen hij bevelhebber van het Oostenrijks leger in Napels was, werd hij beschermheer van Nicola Porpora. Toen hij gouverneur van Mantua was, stelde hij Antonio Vivaldi aan als Maestro di Cappella van zijn hof. Wanneer de geplande bruiloft tenslotte niet plaatsvond, (Philip trouwde in 1693 in Brussel, met Marie Therese van Croÿ, de dochter van Ferdinand François Joseph, hertog van Croy-Havré), werd het werk tijdens het carnaval van 1719, toch opgevoerd in het aartshertogelijk theater van Mantua.

Het vertelt het verhaal van Titus Manlius (Titus Manlius Imperiosus Torquatus), Consul van Rome, en het conflict tussen deze stad en de regio Lazio. Noris schreef het libretto in 1696 voor het werk dat zou worden uitgevoerd op de muziek van Carlo Pollarola, (eveneens een muzikaal leider van het Ospedale degl’Incurabili in Venetië), in het theater van de villa van Ferdinand III de Medici in Pratolino. Hij haalde het onderwerp uit Boek VIII van de Romeinse Geschiedenis (“Ab Urbe Condita”) van Titus Livius, maar week voor een groot deel af van de feiten.

“Tieteberga” op een libretto van Antonio Maria Lucchini. werd opgevoerd in het Teatro San Moisè in Venetië, in oktober 1717. De opera bevatte negen aria’s van andere componisten. “La Candace, o siano Li veri amici”, op een libretto (“I veri amici”) van Francesco Silvani en Benedetto Domenico Lalli, was het enige werk dat Vivaldi voor het seizoen 1720 in het Teatro Arciducale in Mantova presenteerde. Het betrof een samenwerking tussen hem en de beroemde tenor Antonio Barbieri (Amasi), aan het begin van zijn carrière.

“La verità in cimento” op een libretto van Giovanni Palazzi in het Teatro Sant’Angelo (foto) in Venetië, vandaag, het hotel “Barocci Palazzo” (foto), ging in première in de herfst van 1720. De Osmaanse opera kende slechts één reeks uitvoeringen en is daarom weinig bekend, zelfs al werden succesvolle aria’s eruit opgenomen in opera’s van andere componisten als Leonardo Leo en Domenico Sarro, of door Vivaldi zelf in zijn “Il Giustino”. De opera werd herontdekt door de Franse violist Jean-Christophe Spinosi aan het hoofd van het Matheus-ensemble, en uitgevoerd tijdens een tournee in 2002. Zie hun opnames voor Naïve en Virgin Classics.

Het verhaal gaat over de twee zonen van Sultan Mahmud, één bij zijn favoriete Damira en één bij de Sultana Rustena. Mamud liet hen bij de geboorte ruilen, zodat Melindo, in werkelijkheid de zoon van Damira, beschouwd wordt als de wettige erfgenaam, een positie die door Zelim wordt ingenomen. Wanneer het huwelijk tussen Melindo en Roxane, de erfgename van een ander Sultanaat (die in feite de geliefde is van Zelim), wordt voorgesteld, besluit Mamud de ware stand van zaken te onthullen. Na verschillende wendingen erft Zelim een groot deel van het rijk, terwijl Melindo zichzelf tevredenstelt met een secundair koninkrijk (het land van Roxane) en mag trouwen met zijn wispelturige prinses (Roxane).

Het libretto van “Giustino” of “Il Giustino”, werd waarschijnlijk geschreven door Antonio Maria Lucchini, gebaseerd op het libretto van Nicolò Beregan voor Giovanni Legrenzi’s opera “Giustino” (1683), en Pietro Pariati’s libretto voor Tomaso Albinoni’s opera “Giustino” (1711). De première vond plaats in januari of februari 1724 in het Teatro Capranica in Rome. De opera is gebaseerd op de historische gebeurtenissen rond de Byzantijnse keizer Anastasius I (Anastasio), zijn opvolger Flavius Iustinus I. (Giustino), keizerin Ariadne (Arianna) en de opstand van Vitalianus (Vitaliano), die de Byzantijnse historicus Procopius in 553 in zijn “Anekdota” beschreef.

Na de dood van keizer Zeno in 491, huwde zijn weduwe Ariadne, tegen de wil van haar familie, met de zestig jaar oude Anastasios, die op die manier keizer werd. De Illyrische boer Iustinus, trok rond 470 als jonge man met twee metgezellen naar Constantinopel, werd lid van de lijfwacht van Keizer Leo I, en klom er op tot commandant. Hij steeg in de rangen van het leger van het Byzantijnse Keizerrijk en werd uiteindelijk van 518 tot 527, Oost-Romeins keizer, ondanks het feit dat hij analfabeet was en hij bij zijn troonsbestijging, bijna 70 jaar oud was. Een ander personage, de Thracische generaal Vitalian, rebelleerde tweemaal tegen Anastasios en het historisch model voor generaal Amantio was een gelijknamige paleis-eunuch, die ook een opstand begon. De liefdesverwikkelingen in de opera waren weliswaar fictief.

De Parijse contralt, Delphine Galou (°1977) studeerde filosofie aan de Sorbonne, terwijl ze ook piano en zang studeerde. Ze was in 2004 dé “Ontdekking van het Jaar” van de Franse Vereniging voor de Promotie van Jonge Kunstenaars. Delphine Galou heeft een zeldzame stem, laag, rijk, warm en fluweelachtig. Met haar uitstekende vocale techniek in combinatie met haar edele présence, zingt ze de meest virtuoze rollen uit het barokrepertoire. Delphine Galou begon haar carrière in 2000 als lid van het ensemble “Jeunes Voix du Rhin”, en trad op in de Opéra National du Rhin, o.a. als Hänsel in “Hänsel und Gretel”, als Lucretia in “The Rape of Lucretia” en Mercedes in “Carmen”, en was vervolgens te gast in Rennes, Dijon, Caen, Angers-Nantes, Toulon, Nancy, Luxemburg, Freiburg, Basel, St. Gallen, op het Händel-festival in Karlsruhe en op het Schwetzingen-festival.

Galou heeft zich internationaal gevestigd als een Händel-specialiste met rollen in Giulio Cesare, Rinaldo, Alessandro, Andronico (Tamerlano), Zenobia (Radamisto) en Bradamante (Alcina). In 2011-2012 maakte ze haar sensationeel debuut in het Théâtre des Champs-Elysées in de titelrol van “Orlando furioso” van Vivaldi. Ze debuteerde ook in het Royal Opera House in Londen als Niobe van Steffani en zong de titelrol in Brittens “The Rape of Lucretia” ook in de Angers-Nantes Opéra. Haar seizoen 2011-2012 werd benadrukt door “Il trionfo del Tempo e del Disinganno” in de Staatsoper Berlin o.l.v. Marc Minkowski, Alcina (Bradamante) in de Opera van Lausanne o.l.v. Ottavio Dantone en Rinaldo (titelrol) in Reggio Emilia en Ferrara, “Il ritorno d’Ulisse in Patria” (Penelope) van Monteverdi in het Theater an der Wien o.l.v. Christophe Rousset, en “Tamerlano” (Andronico) in het Théâtre royal de la Monnaie in Brussel.

Delphine Galou zong met orkesten als het Balthasar-Neumann-Ensemble (Thomas Hengelbrock), I Barocchisti (Diego Fasolis), Accademia Bizantina (Ottavio Dantone), Collegium 1704 (Václav Luks), het Barokorkest van Venetië (Andrea Marcon), Il Complesso Barocco (Alan Curtis), Les Siècles (François-Xavier Roth), Les Arts Florissants (Jonathan Cohen), Le Concert des Nations (Jordi Savall), het Ensemble Matheus (Jean-Christophe Spinosi) en Les Musiciens du Louvre Grenoble (Marc Minkowski). Als concertsoliste is Galou een vaste gaste op o.a. het Beaune Baroque Festival, waar ze werd geprezen in “Rinaldo” en “Alessandro” van Händel, “Semiramide” van Nicola Porpora en “Juditha triomfans” en “Orlando furioso” van Vivaldi.

Ottavio Dantone (°1960) studeerde orgel en klavecimbel aan het Conservatorium “Giuseppe Verdi” in Milaan. In 1985 behaalde hij de Derde prijs op de prestigieuze, internationale klavecimbel wedstrijd van het Festival Musica Antiqua in Brugge. In 1986 was hij laureaat basso continuo op het internationaal concours in Parijs en in 1996 werd hij directeur van het conservatorium in Ravenna, de “Academia Bizantina”. Hij begon zijn carrière in 1999 als operadirigent met de (tweede) première van Giuseppe Sarti’s “Giulio Sabino” uit 1781 in het gemeentelijk theater “Dante Alighieri” van Ravenna, en debuteerde in 2005 in La Scala als dirigent van Händels “Rinaldo”.

Twee magnifieke cd’s die dankzij de wonderbaarlijk mooie stem van Delphine Galou, een prachtige mooie bloemlezing brengen van Vivaldi’s onevenaarbare, schitterende, lyrische kunst, zowel religieus als uit zijn opera’s. Niet te missen!

Vivaldi Arie e Cantate per Contralto Delphine Galou Accademia Bizantina, Ottavio Dantone cd Naïve OP30584

Vivaldi Musica sacra per alto Delphine Galou  Accademia Bizantina, Ottavio Dantone cd Naive OP30569

http://www.stretto.be/2018/07/01/antonio-vivaldi-concerti-pour-cordes-iii-concerti-pour-viole-damour-door-de-accademia-bizantina-op-het-label-naive-uniek/

http://www.stretto.be/2018/10/04/venetiaanse-zangen-opera-in-venetie-van-willem-bruls-uitgegeven-door-atlas-contact-niet-te-missen/