Ontdek “Volksfest” op de cd, “Bruckner, Symphony No. 4 in E Flat Major ‘Romantic’ 1878-80 Version”, door het Bruckner Orchester Linz en het ORF Vienna Radio Symphony Orchestra, o.l.v. Markus Poschner, op het label Capriccio.

Het was op de grens van hoog- en laat romantiek, dat Anton Bruckner in zijn meer dan 70 min. durende Vierde symfonie, een ideale wereld opriep in heldere, ononderbroken kleuren, en reflecteerde op een intact en zorgeloos (middeleeuws) verleden. De consistent ontspannen en positieve sfeer van de symfonie lijkt weliswaar nog verbazingwekkend, als je kijkt naar de gecompliceerde geschiedenis van het ontstaan van het werk.

Op 57-jarige leeftijd was Anton Bruckner nl. nog grotendeels onbekend als componist. Deze zoon van een dorpsonderwijzer, was na jaren van onvermoeibaar werk de beste organist van Oostenrijk en een professor in harmonie en contrapunt aan het Weens Conservatorium geworden, maar zijn muziek werd grotendeels genegeerd of verworpen door het muzikaal establishment van de verfijnde hoofdstad. Maar, wanneer midden jaren ’80 van de 19de eeuw, Bruckners magistrale 7de symfonie (van deze is er, net als van zijn 6de, maar één versie), een groot succes werd, raakten dirigenten en onderzoekers ook geïnteresseerd in zijn zes andere symfonieën. Maar, door de kritieken die die symfonieën helaas te verduren kregen van o.a. Eduard Hanslick en de dirigent, Hermann Levi (1839-1900), besloot Bruckner tussen 1887 en 1891, vier van zijn tot dan toe, tussen 1863 en 1881, gecomponeerde zes symfonieën, te herwerken.

De kritiek op Bruckner van zowel Brahms als van vele Weense muziekrecensenten, moet worden begrepen vanuit het Brahms-Wagnerconflict, dat muzikaal Duitsland en Oostenrijk in de tweede helft van de 19de eeuw, in de ban hield. Brahms werd in de pers de hemel in geprezen als hét icoon van de traditie gebonden “absolute”, klassieke muziek. Wagner en Liszt stonden met hun “Neudeutsche Schule” voor muzikale vernieuwing en het nieuw “Gesamtkunstwerk” als “Kunstwerk der Zukunft” van het “Bildungsbürgertum”. De term “Neudeutsche Schule” werd bedacht door Franz Brendel, uitgever van het tijdschrift, “Neue Zeitschrift für Musik”.

Door de vele kritieken die hem diep kwetsten en waaronder hij heel erg leed, begon Bruckner aan “Änderungen” en “Überarbeitungen” van zijn vroegere symfonieën. Eerst zijn 4de, dan zijn 3de, vervolgens zijn 8ste, die hij op 10 maart 1890, definitief voltooide (de 2de versie dus), en twee dagen later begon hij aan de herziening van zijn lieveling, zijn “keckes Beserl” (jawel, naar eigen zeggen), zijn 1ste symfonie. Dit keer niet door de schuld van Levi, want die hield van de eerste versie (Linzer Fassung) van de symfonie, maar door het herwerken van zijn andere symfonieën, wilde Bruckner zijn gehele muzikaal nalatenschap perfectioneren, ook zijn 1ste symfonie dus. Deze had hij na zijn Studiesymfonie uit 1863, en voor zijn “Nulde” symfonie uit 1869, gecomponeerd.

“Ik ben er volledig van overtuigd dat mijn Vierde Romantische symfonie dringend aan een grondige herziening toe is”, schreef Bruckner in 1877. Sinds de succesvolle eerste uitvoering door de Wiener Philharmoniker onder Hans Richter, op 20 februari 1881, was de Vierde symfonie één van Bruckners meest geliefde werken. Toch viel het succes van de Vierde de componist niet gemakkelijk, aangezien hij de hele symfonie tweemaal en de finale driemaal herwerkte. De “Urfassung” (eerste versie) van zijn 4de symfonie, gecomponeerd tussen begin januari en 22 november 1874, werd door Bruckner afgewezen nadat verschillende plannen voor een première op niets uitliepen. Met meedogenloze zelfkritiek noemde hij ze ‘overladen’ en ‘te rusteloos’.

In 1878 onderwierp hij ze aan een radicale herziening, waarbij hij onder meer een geheel nieuwe derde beweging componeerde, het jacht scherzo, met het citaat van het begin van de eerste scène van de 2de akte uit Wagners “Tristan und Isolde”, en een “Volksfest-Finale”. De finale, “bewegt, doch nicht zu schnell”, kreeg uiteindelijk in 1879-1880, zijn definitieve vorm. De première van de symfonie was in 1881 in Wenen, door de Wiener Philharmoniker o.l.v. Hans Richter (foto). De ondertitel “Romantisch”, van Bruckner zelf, verwees naar het middeleeuws tijdperk, zoals blijkt uit de programmatische beschrijving die Bruckner links van de opening van de symfonie noteerde, “Middeleeuwse stad – Dageraad – Ochtendroep klinkt uit de stadstorens – de poorten gaan open – Op trotse paarden barsten de ridders naar buiten, de magie van de natuur omhult hen – bosgeruis – vogelgezang – en zo ontwikkelt het romantische beeld zich verder…”

In februari 1881, begon de Wiener Philharmoniker met het repeteren van een symfonie zoals ze nog nooit eerder hadden gespeeld. Dit uitgestrekt werk bezat mythische grootsheid en ideale schoonheid, een combinatie van lyrische Schubertiaanse melodieën, intense Wagneriaanse harmonieën en donderende, orgelachtige climaxen. Hoewel het reeds de Vierde symfonie van Anton Bruckner was, hadden de meeste musici nog weinig of niets van zijn muziek gehoord. De première van zijn Vierde symfonie bleek een belangrijk keerpunt in Bruckners carrière. Hoewel de critici verdeeld bleven, reageerde het publiek enthousiast en de musici van de Philharmoniker realiseerden zich dat Bruckner een van de belangrijkste componisten van hun tijd was. Het ontstaan van dit werk, door velen beschouwd als zijn eerste symfonisch meesterwerk, was nochtans moeilijk geweest voor de perfectionistische componist.

Als één van Bruckners meest uitgevoerde werken is de Vierde tot op de dag van vandaag succesvol gebleven. De ononderbroken populariteit van de symfonie onderstreept ook de tijdloze aantrekkingskracht van Bruckners werk, dat diep menselijke verlangen naar het ‘romantische’, dat tot op de dag van vandaag niemand onberoerd heeft gelaten. Het wereldwijd succes van deze symfonie berust op de “originalfassung” van Robert Haas uit 1936. Haas baseerde zich op de tweede “Fassung” uit 1878-1880. In deze versie werden nl. alle wijzigingen die niet van Bruckner afkomstig waren, verwijderd. Deze opname bevat de tweede en meest uitgevoerde versie in een nieuwe editie van Benjamin Korstvedt, gepubliceerd als onderdeel van de New Anton Bruckner Collected Works Edition. Het bevat ook Korstvedts editie van de “Volksfest” Finale, die Bruckner in 1878 componeerde, maar in 1880, verving door de definitieve Finale. Bewegt, doch nicht zu schnell.

De Duitse dirigent en pianist, Markus Poschner (°1971) studeerde aan de Universiteit voor Muziek en Podiumkunsten München bij Hermann Michael. Tot zijn mentors behoorden Sir Roger Norrington , Sir Colin Davis en Jorma Panula. Van 2000 tot 2006 was Poschner chef-dirigent van het Georgisches Kammerorchester Ingolstadt en was hij ook eerste kapelmeester van de Komische Oper Berlin. Van 2007 tot 2017 was Poschner Generalmusikdirektor (GMD) van de stad Bremen, die chef-dirigentschappen van de Bremer Philharmoniker en van het Theater Bremen omvatte. Poschner werd met ingang van het seizoen 2015-2016 chef-dirigent van het Orchestra della Svizzera Italiana. In februari 2015 kondigde het Bruckner Orkest Linz de benoeming aan van Poschner als zijn volgende chef-dirigent, met ingang van het seizoen 2017-2018. Buiten Europa was Poschner vaste gastdirigent van het Orquesta Sinfónica de Chile. Poschner is ook bekend als jazzpianist. Sinds 2010 is hij ereprofessor musicologie en muziekeducatie aan de Universiteit van Bremen.

Bruckner Symphony No. 4 in E Flat Major ‘Romantic’ 1878-80 Version Bruckner Orchester Linz, ORF Vienna Radio Symphony Orchestra, Markus Poschner cd Capriccio C8083