Jos Kessels, “Taal geven aan muziek Een nieuwe harmonieleer”, alweer een verrijkende uitgave van Boom.

Leibniz beweerde dat als je naar muziek luistert, je zonder het te beseffen, een vorm van wiskunde bedrijft, een spel met verhoudingen in ruimte en tijd. Schopenhauer stelde, ‘Muziek is een onbewuste oefening in metafysica waarin de geest niet weet dat hij aan het filosoferen is’, en Wittgenstein schreef, ‘Muzikale thema’s zijn in zekere zin beweringen’. “In dit boek”, schrijft Jos Kessels, “Ik onderzoek deze bredere vorm van weten, Ik probeer buiten de grenzen van de gangbare gevestigde kennis te komen en een tegenwicht te bieden aan de huidige hegemonie van objectieve analyse”.

“Muziek is hogere openbaring dan alle wijsheid en filosofie” (Ludwig van Beethoven). “Dankzij de muziek genieten de hartstochten van zichzelf” (“Vermöge der Musik genießen sich die Leidenschaften selbst”), uit “Jenseits von Gut und Böse” (“Voorbij goed en kwaad”) (1886) van Friedrich Nietzsche. “De muziek dient tot verstrooiing, tot opvoeding, tot aansporing van geest en hart, en tot de bevrijding der ziel van de hartstochten” (Aristoteles), en Hegel schreef, “Instrumentale muziek is eigenlijk helemaal geen muziek” (…). Andere romantische filosofen en voorstanders van absolute muziek zoals Goethe, zag muziek niet alleen als een subjectieve menselijke ‘taal’, maar als een absoluut transcendent middel om een hoger rijk te bereiken. Sommigen gaven uitdrukking aan een spirituele relatie met muziek. In het vierde deel van zijn hoofdwerk, “Die Welt als Wille und Vorstellung” (1819) schreef Arthur Schopenhauer, “muziek is het antwoord op het mysterie van het leven. Als de meest diepzinnige van alle kunsten, drukt het de diepste gedachten van het leven uit. Ze herinnert ons aan wat we hadden willen ervaren”.

Maar, hoe kun je de ervaring van muziek beschrijven? Taal is niet in staat uit te drukken wat er met je gebeurt als je luistert naar muziek. Al zijn de klanken zelf nog zo duidelijk, je kunt je beleving ervan niet goed onder woorden brengen, net zomin als van dromen of van geuren en kleuren. Alles wat je erover zegt, klinkt flets. Het doet geen recht aan het bijzondere van je ervaring en aan je emotie. Toch is muziek te belangrijk om onbesproken te blijven. “Zij is een grotere openbaring dan alle wijsheid en filosofie”, vond Beethoven. “Zonder muziek zou het leven een vergissing zijn”, schreef Nietzsche.

Het is een vorm van kennis die, als contrapunt van de objectieve en talige harmonieleer, onze persoonlijke, nog niet in taal gevangen beleving inbrengt. Het is een harmonieleer die subjectieve vermoedens en intuïties in hun volle omvang integreert in het denken over muziek, en daardoor dat denken tot een onderzoek van jezelf maakt, van je eigen innerlijke roerselen en je kijk op de wereld. Dit werd eeuwen geleden al verkondigd door de pythagoreeërs. Plato, Ptolemaeus, Augustinus, Plotinus en Boëthius, een stoet denkers uit de tijd voordat de wetenschappelijke revolutie de klassieke kennisopvatting van haar voetstuk stootte. Het is een harmonieleer die de persoonlijke ervaring in heel haar rijkdom als uitgangspunt van onderzoek neemt en deze niet onmiddellijk wegpoetst ten gunste van een of andere objectieve, wetenschappelijke theorie.

Maar, een van de moeilijkheden van muziekfilosofie is namelijk haar onder woorden te brengen, terwijl muziek juist emoties en lichamelijke reacties oproept. Jos Kessels heeft een fenomenologische poging ondernomen toch een taal te ontwikkelen om met name de muziekervaring van een nieuw idioom te voorzien. Hij ontwikkelt een metaforische taal van de verbeelding, opdat muziek beter beluisterd kan worden als een vorm van communicatie.

Zo’n rijkere harmonieleer is wél in staat om uitdrukking te geven aan wat je beleeft in muziek, zij het tastend, metaforisch of poëtisch, omdat zij de puur muzikale beleving verbindt aan de eigen innerlijke en uiterlijke ervaring, het zielenleven in je en de waarneming van de wereld buiten je. In feite is zij een vernieuwde versie van de oude harmonieleer van Boëthius, die meende dat de klinkende muziek (musica instrumentalis) een spiegel was van de muziek van de mens (musica humana) en de muziek van de wereld (musica mundana). Zijn uitgangspunt was dat deze domeinen alle drie dezelfde ‘muzikale structuur hebben, en potentieel dezelfde transformerende werking.

“In onze tijd zijn die drie vormen uit elkaar gehaald. Kennis is zo veel mogelijk ontdaan van alle subjectiviteit en metaforiek, waardoor de muziek van de mens en die van de wereld zijn verdwenen uit de studie van muziek. Ik bepleit in dit boek een herintegratie ervan, een nieuwe verbinding. Alleen dan kun je taal geven aan muziek. Alleen zo’n harmonieleer kan tegenwicht bieden aan het groteske feit dat je van iets wat je zozeer raakt, zo goed als niets onder woorden kunt brengen”.

“Wij koppelen de bewegende vormen die we horen onmiddellijk aan iets menselijks” schrijft de auteur, “een gemoedsbeweging, een mentale houding of gebaar. Melodieën, harmonieën, ritmes, timbres lezen we net als gezichten en houdingen, we interpreteren de ervaring ervan direct in menselijke termen. Daarmee is elk muziekstuk niet alleen een patroon van ‘bewegende klankvormen’, maar veel meer. Het is altijd ook een menselijk verhaal, de uitdrukking van een idee of emotie, de ‘beschrijving’ van een mentale toestand of ontwikkeling, ook al zijn er geen woorden voor en kunnen we het verhaal niet makkelijk vangen in taal. Dat door iets heen kijken naar iets anders, het zoeken van een onderliggende betekenis, doen we voortdurend met van alles: planten, dieren, bomen, luchten. Mensen zijn betekenisgevers. We beseffen vaak niet half hoe antropomorf we denken”.

“De afbeelding op de voorkaft”, vertelt de auteur, “is een kunstwerk van Rebecca Horn, getiteld “Concert for Anarchy”, 1990 (Tate Gallery Collection), een kunstwerk dat een nieuwe vorm van interactie wou met het publiek. Horn haalde de piano nl. uit haar gewone omgeving, de concertzaal, en laat haar een ongebruikelijk concert geven, een dat huiver en ontsteltenis oproept, maar ook speelsheid en sensualiteit. Doel daarvan is, zoals ze het zelf formuleert, ‘een nieuwe vorm van interactie met de bezoekers van een tentoonstelling’ uit te lokken.’ Dat is ook het doel van dit boek, een nieuwe vorm van interactie, van denken en spreken over kunst teweegbrengen, met name over muziek. Ik hoop dat het een bijdrage zal leveren aan andere manieren van denken en spreken over muziek, waarin persoonlijke verbeelding en het eigen innerlijk weer een bepalende rol spelen”.

De Duitse beeldend kunstenares, Rebecca Horn (1944) is vooral bekend om haar installatiekunst, filmregie en haar lichaamsaanpassingen zoals Einhorn (Eenhoorn), een bodysuit met een zeer grote hoorn, die verticaal uit het kopstuk steekt. Ze beoefent body art, maar werkt in verschillende media, waaronder performancekunst, installatiekunst, beeldhouwkunst en film. Ze schrijft ook poëzie. Soms wordt haar poëzie beïnvloed door haar werk, en bij veel gelegenheden heeft het haar werk geïnspireerd. Toen Horn terugkeerde naar de Hamburgse academie bleef ze coconachtige dingen maken. Ze werkt met opgevulde lichaamsextensies en prothetische verbanden en eind jaren zestig begon ze met het maken van performancekunst en bleef ze lichaamsextensies gebruiken.

De hoofdstukken van het boek zijn onderverdeeld als een 3-delige sonatevorm. Na o.a. de fenomenologie van de muziek en muzikale hermeneutiek, het einde of coda van de expositie, beschrijft de auteur een aantal muzikale ervaringen als één geïntegreerd verhaal. Hij behandelt nl. de drie muziekdomeinen van Boëthius als één onlosmakelijk geheel: de instrumentale muziek (musica instrumentalis) staat los van mijn eigen, persoonlijke muziek (musica humana), noch van de muziek van de wereld (musica mundana),( II – Doorwerking (Musica humana, musica mundane). Zelfervaring en ervaring van de wereld zijn onlosmakelijk verbonden met de muzikale ervaring. Het zijn drie aspecten van hetzelfde geheel. Op die manier kun je doordringen tot wat voor jou de kern is van het verhaal, de essentie van de muziek, de ideële inhoud ervan.

In ‘Spoorzoeken’, dat een stuk muziekgeschiedenis vooraf gaat, bespreekt Jos Kessels stijlkenmerken van Debussy, Scarlatti, Perotinus Hildegard, Beethoven, Schönberg en Ligeti, als voorbeelden. In ‘Reprise’ (of re-expositie) gaat het o.a. over het belang van kunst en de taal van de moderniteit. Een handige verklarende woordenlijst vervolledigt dit uitermate erudiet en  interessant boek. Zeker lezen!

Jos Kessels (1948), filosoof en muzikant, schreef verschillende boeken over de socratische methode, over de platoonse ideeënleer en over muzikale verbeelding. In 2019, verscheen Het welgetemperde gemoed, waarin hij zijn harmonieleer toepast op Das Wohltemperierte Klavier van Bach.

Jos Kessels Taal geven aan muziek Een nieuwe harmonieleer 222 bladz. uitg. Boom ISBN 9789024457069

https://www.stretto.be/2019/01/28/ervaring-van-momenten-in-het-welgetemperde-gemoed-van-jos-kessels-uitgegeven-door-boom-heel-bijzonder/

https://www.stretto.be/2017/05/17/muziek-als-hoorbare-dynamiek-van-ideeen/