

Wie was Pieter Lanchals (ca.1430-ca.1488) en waarom werd deze invloedrijke Brugse ambtenaar in dienst van Maximiliaan van Oostenrijk, op een dag publiekelijk geëxecuteerd? In zijn meesterlijke “Ambitie en ondergang” schetst Marc Boone op een uitermate erudiete wijze, een uitgebreid, scherp en persoonlijk beeld van de man en beschrijft hij in detail de politieke spanningen in de Bourgondische Nederlanden aan het einde van de 15de eeuw. Niet te missen!

Pierquin/Pieter Lanchals klom op van loopjongen tot topambtenaar van Maximiliaan van Oostenrijk (foto) en werd opgenomen in de broederschap van Onze-Lieve-Vrouw-ter-Sneeuw in Brussel en in de Edele Confrérie van het Heilig Bloed in Brugge. Hij inde belastingen in Vlaanderen, Zeeland en Holland, maar maakte steeds meer vijanden. Uiteindelijk werd hij op de Grote Markt in Brugge onthoofd. Marc Boone onderzocht hoe geldzucht en macht houvast kregen in de verdeelde Nederlanden. Hij volgt Lanchals’ bliksemcarrière, van geldkoerier tot fiscaal architect van een centraliserende staat, en onthult hoe zijn financiële missies diepe weerstand opriepen bij stedelingen in Vlaanderen, Zeeland en Holland. Dit meeslepend boek toont hoe individuele ambitie en dynastieke honger naar geld samenkwamen op een historische maar explosieve breuklijn.

De burgerij begon zich in de Late Middeleeuwen in Europa te manifesteren. De klasse werd gevormd door de groep stedelingen die stadsrechten en privileges bezaten. Het waren handwerkslieden en handelaars. Tijdens de hoge en late middeleeuwen en vooral in de nieuwe tijd verwierf de burgerij als nieuwe middenklasse, steeds meer rijkdom door o.a. de groeiende handel in Europa en omstreken, het zich ontwikkelend bankwezen en steeds betere productieprocessen van goederen. Geleidelijk aan werden de groeiende en steeds rijker wordende steden een almaar belangrijkere machtsfactor.
Nadat een sluimerend conflict rond de achteruitgang van de lakenindustrie met de stad Gent in 1488 oversloeg naar Brugge, zetten de Brugse stedelingen Maximiliaan in februari 1488 gevangen en executeerden ze enkele personen van zijn aanhang. In hun strijd om autonomie, bekend als de tweede Vlaamse opstand, hield Brugge hem meer dan vier maanden in de stad gevangen. Toen de strijd losbrak tussen Maximiliaan en de steden, koos Lanchals onvoorwaardelijk de zijde van de aartshertog. Een jaar later werd hij daarvoor zelfs net als de Gentse schepen, Matthijs Peyaert (ca.1420-1488), tot ridder geslagen. Peyaert werd trouwens ook in 1488 ter dood veroordeeld en onthoofd. 
In de 19de eeuw ontstond zelfs de legende dat Maximiliaan, eenmaal vrijgelaten en opnieuw aan de macht, ter ere van Lanchals, de Bruggelingen verplichtte ten eeuwigen dage, “langhalzen” of zwanen op de reien te onderhouden. Lanchals klom verder op in de hiërarchie en werd in 1485 schout van Brugge. Dit betekende dat hij het politioneel gezag over de stad uitoefende. Beschermd door een stevige lijfwacht deed hij dit weliswaar met ijzeren hand en maakte zich daardoor allesbehalve geliefd.
In 1490, was de opstand volledig de kop ingedrukt en met het Verdrag van Damme werd het conflict geregeld. Brugge moest zijn stadswallen afbreken en het hof en alle belangrijke bestuurlijke functies, en daarmee ook de handel, verhuisden naar Gent, wat het einde betekende van de Brugse bloei. De verdere verzanding van het Zwin en de Tachtigjarige Oorlog in de volgende eeuw maakten dat Brugge één van de armste steden van Vlaanderen werd. Antwerpen, dat steeds de zijde van Maximiliaan had gekozen, profiteerde van de Vlaamse nederlaag en nam de fakkel over van Brugge als grootste handelsmetropool van de Nederlanden.


De onthoofding op 22 maart 1488, van Pieter Lanchals, topambtenaar van de Bourgondische vorst Maximiliaan van Oostenrijk, op de Grote Markt van Brugge, betekende een eindpunt in de strijd van de onderdanen tegen het machtsspel van de vorst en zijn onverzadigbare financiële honger. Pieter Lanchals was dé man die mee het financieel beleid had bepaald. Via zijn activiteiten kwam hij niet alleen in contact met vorsten, prelaten en hoge edellieden, maar ook met grote Italiaanse bankiershuizen en frequenteerde hij in het milieu van kunstenaars en ambachtslieden. Zo had Lanchals bv. nauw contact met de Medici-bank in Brugge. Het bij momenten brutaal optreden van Pieter Lanchals toonde echter de keerzijde van het succesverhaal. Vooral de Vlaamse, Hollandse en Zeeuwse onderdanen betaalden letterlijk een zeer hoge prijs voor de uitbouw van een ‘centrale’ staat. U leest er alles over in “Ambitie en ondergang, Pieter Lanchals en de geldhonger van de Bourgondische vorsten”.
Marc Boone (1955) is professor emeritus middeleeuwse geschiedenis aan de Universiteit Gent. Hij doceerde als gastprofessor aan de Université de Bourgogne (Dijon) in 2000, aan de École des Hautes Études et Sciences Sociales (Parijs) in 2005 en aan de Sorbonne (Parijs) in 2007. In 2006 bekleedde hij een binnenlandse Francqui leerstoel aan de ULB (Brussel). Hij verricht onderzoek over stadsgeschiedenis en over de sociaal-politieke geschiedenis van de Bourgondische periode. Hij doceerde er onder andere het vak historische kritiek en is bij studenten bekend om zijn volzinnen van grote omvang en complexiteit. Boone heeft ook onderzoek gevoerd naar de stadgeschiedenis van Gent. Hij trad in 2012 aan als decaan van de faculteit Letteren en Wijsbegeerte, waar hij de ethicus Freddy Mortier opvolgde. 


Marc Boone Ambitie en ondergang Pieter Lanchals en de geldhonger van de Bourgondische vorsten 400 bladz. geïllustreerd Sterck & De Vreese ISBN 9789464712247