“Igor Stravinsky, Late Works” door Cappella Amsterdam en het Noord Nederlands Orkest o.l.v. Daniel Reuss, op het label Pentatone.

Cappella Amsterdam en het Noord Nederlands Orkest volgden de ontwikkeling van de componist door zijn omarming van de twaalftoonstechniek en brengen deze rigoureus gestructureerde en spiritueel geladen meesterwerken met helderheid en toewijding tot leven.

Het belang en de waarde van Igor Stravinsky als sleutelfiguur van de muziek van de 20ste eeuw, gaat verder dan zijn Sacre du printemps of Petrouchka. “Threni” (1957-1958) bv. was zijn langste en meest ambitieuze, dodecafonisch werk. Dit complex en veeleisend werk was één van de hoogtepunten van zijn laatste periode (jaren ’50 en ’60). In een werk als het Requiem Canticles (1966) ging Stravinsky nog verder richting de toekomst. Dit laatste meesterwerk leek wel het overzicht van de evolutie van heel zijn leven. De combinatie van elementen uit zijn verschillende stijlperioden markeerde Stravinsky’s zoektocht naar cerebrale spiritualiteit.

Requiem Canticles “To the memory of Helen Buchanan Seeger” voor alt, bas, koor en orkest, werd gecomponeerd in 1965-1966 en voltooid in augustus 1966 in Hollywood. Het werk werd o.l.v. Robert Craft voor het eerst uitgevoerd op 8 oktober 1966 in de Princeton University. Requiem Canticles werd in 1965 besteld door Stanley Seeger, ter nagedachtenis aan zijn moeder. Helen Buchanan Steeger had nl. een groot legaat nagelaten aan de Universiteit. Stanley Seeger wilde dat een deel van het geld gebruikt werd voor een muzikaal monument ter ere van en ter nagedachtenis aan zijn moeder. Requiem Canticles bestaat uit twee keer drie vocale bewegingen tussen een prelude, een interlude en een postlude.

Requiem Canticles is gebaseerd op een twaalftoonreeks. De intervallen tussen de tonen bepalen de reeks. De twaalf tonen zijn even belangrijk en onafhankelijk en de muziek heeft geen toonaard. De reeks klinkt in zijn grondvorm, in kreeftengang of retrograad waarin de richting van de tonen is omgedraaid, in omkering van die kreeftengang waarin de richting van de tonen en van de intervallen wordt omgedraaid, en de reeksen kunnen worden getransponeerd. In deze relatief korte compositie maakte Stravinsky gebruik van twee reeksen. De gebruikelijke vierde vorm heeft hij vervangen door een reeks die begint met de eerste noot van de kreeftengang waarna hij de kreeftengang in omkering volgde. Requiem Canticles werd uitgevoerd tijdens zijn eigen uitvaartmis op 15 april 1971 in de Santi Giovanni e Paolo in Venetië.

Het Anthem ‘The Dove descending breaks the air’ is een seriële compositie voor koor a capella op een tekst van T.S. Eliot (foto), gecomponeerd in 1962. Het anthem werd voor het eerst uitgevoerd tijdens de Monday Evening Concerts in Los Angeles in februari 1962 en werd gecomponeerd op vraag van Cambridge University Press, die een compositie van Stravinsky wilde opnemen in een liedboek. Stravinsky koos het vierde deel van ‘Little Gidding’, het laatste deel van Eliots “Four Quartets”.

Threni: id est Lamentationes Jeremiae Prophetae is de toonzetting voor vocale solisten, koor en orkest van Latijnse verzen uit het boek Klaagliederen van de profeet Jeremias. Het was Stravinsky’s eerste dodecafonisch werk. De muziek is sober maar is tevens een hoogtepunt in zijn carrière. De compositie is zowel op geestelijk als op stilistisch gebied belangrijk en was de meest ambitieuze en structureel de meest complexe van al zijn religieuze composities. De 75-jarige Stravinsky componeerde Threni tussen de zomer van 1957 en het voorjaar van 1958. Hij begon er aan eind augustus 1957 op de piano van de nachtclub! in het hotel waar hij verbleef in Venetië. Het werd voor het eerst uitgevoerd op 23 september 1958 in een zaal van de magistrale Scuola Grande di San Rocco in Venetië (foto). Stravinsky droeg zijn werk op aan Alessandro Piovesan, de directeur van de Biënnale van Venetië, die onlangs overleden was.

Stravinsky componeerde Threni voor de Biënnale van Venetië. Het werk werd voor het eerst gepubliceerd in 1958 en voor het eerst opgenomen in 1959 onder leiding van de componist. Stravinsky had al eerder in de jaren ‘50 twaalftoonstechniek gebruikt, bv. in zijn Canticum Sacrum (1955) en in Agon (1957), maar geen van deze was uitsluitend of volledig dodecafonisch, terwijl Threni dat wel was. Threni was eerder bestemd voor een concertzaal dan voor liturgisch gebruik, Stravinsky koos de tekst vrij uit de eerste hoofdstukken van het Bijbels boek. Het heeft drie delen: de grote centrale beweging wordt omringd door twee kortere. Ernst Krenek componeerde de Klaagliederen reeds in 1942. Stravinsky erkende dat zij hem hadden beïnvloed en daarnaast had hij muziek van Tallis, Byrd en Palestrina bestudeerd. Da pacem Domine (in diebus nostris), is een arrangement van het zes stemmig, geestelijk a capella motet (hymne) in het Latijn van Carlo Gesualdo da Venosa (1566-1613). Het motet behoort tot Gesualdo’s Sacræ Cantiones Liber Secundus uit 1603.

Er wordt vaak gesproken over Stravinsky’s breuk met het neoklassieke tijdperk, maar we zien eerder een innerlijke metamorfose in de laatste jaren van zijn leven. Stravinsky’s keuze voor de twaalftoonstechniek, die destijds veelbesproken was, was geen esthetische omschakeling, maar een zoektocht naar orde en helderheid, in lijn met de schoonheid van de gebaren die in zijn manuscripten terug te vinden zijn.

Voor Stravinsky waren seriële regels een discipline die vergelijkbaar was met de klassieke canons – een middel om vorm te geven aan ascese. Hij zei graag: “Hoe meer kunst gecontroleerd, beperkt en bewerkt wordt, hoe vrijer ze is” (Poëtica van de muziek) en dat “Improvisatie de uitdrukking is van ongedisciplineerd gedrag” (Herinneringen en commentaren). Zijn schrijfstijl, gekenmerkt door een compromisloze grafische precisie, getuigt dan ook van een streven naar perfectie, bijna kalligrafisch in zijn puurheid.

Onder de geïnspireerde leiding van Daniel Reuss brengen Cappella Amsterdam en het Noord Nederlands Orkest o.a. In Memoriam Dylan Thomas (1954), Threni (1958), Introitus (1965) en Requiem Canticles (1966), die samen een spirituele cyclus vormen die de laatste periode van de componist markeert. Het koor heeft talloze onderscheidingen ontvangen, waaronder een Edison Klassiek Award voor In Umbra Mortis (2021), en heeft zijn succesvolle discografie voortgezet met David Lang: the writings (2022), Schnittke: Psalms of Repentance (2023), Tales of Song and Sadness (2024) en Lassus: Penitential Psalms (2025).

Daniel Reuss (1961) studeerde koordirectie aan het conservatorium van Rotterdam bij Barend Schuurman. Op zijn 21e richtte hij het Oude Muziek Koor Arnhem op. In 1990 werd Daniel Reuss artistiek leider van Cappella Amsterdam. Het ensemble heeft zich afgelopen jaren onder zijn artistieke leiding zowel in oude muziek als in het moderne en hedendaagse repertoire in Nederland een prominente positie verworven. Met Cappella Amsterdam bracht hij zeer positief ontvangen cd’s uit, zoals Lux Aeterna (bekroond met de Diapason d’Or 2009), de cd met psalmen van Sweelinck en recentelijk de cd met Janáĉek Choral Works, die een Edison ontving. Van 2003 tot 2006 was hij chef-dirigent van het RIAS Kammerchor in Berlijn. Met dit koor maakte hij een aantal succesvolle cd’s, zoals Le Vin Herbé (Martin), Solomon (Händel) en Les Noces (Stravinsky). De cd’s werden onderscheiden met diverse prijzen, waaronder Preis der Deutsche Schallplattenkritik, Echo Award, Midem Classical Award, Diapason d’Or en Choc du Monde de la Musique.

Van 2008 tot 2013 combineerde Daniel Reuss zijn werkzaamheden als artistiek leider van Cappella Amsterdam met het chef-dirigentschap van het Estonian Philharmonic Chamber Choir. In 2010 verscheen de cd Golgotha (Martin), een gezamenlijke productie van Cappella Amsterdam en het Estonian Philharmonic Chamber Choir. In 2006 was Daniel Reuss, op uitnodiging van Pierre Boulez, te gast op de Lucerne Festival Academy in Zwitserland als docent en dirigent. In februari 2007 maakte Daniel Reuss zijn debuut bij de English National Opera, met Agrippina (Händel). Daniel Reuss werkt geregeld samen met ensembles en orkesten uit heel Europa, zoals Akademie für Alte Musik Berlin, MusikFabrik, Scharoun Ensemble en de Radio Kamer Filharmonie. Sinds 2015 is Daniel Reuss tevens chef-dirigent van het Ensemble Vocal Lausanne.

Tracklist :

Chorale

In Memoriam Dylan Thomas

Otche Nash

Threni

Double Canon

Anthem

Elegy for J. F. K.

Epitaphium

Introitus

Requiem canticles

Two Sacred Songs (Hugo Wolf)

Igor Stravinsky Late Works Cappella Amsterdam Noord Nederlands Orkest Daniel Reuss cd Pentatone PTC5187489